0:00
7:13

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #27

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u meestal na uw werk of school om te ontspannen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Na mijn werk wandel ik een half uur en kijk ik daarna tv.
  • Ik kook iets simpels en bel met familie.
  • Ik lees een boek of luister naar muziek om te ontspannen.

2. Wat eet u het liefst als avondeten en met wie eet u meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet graag pasta met salade en ik eet meestal met mijn partner.
  • Ik maak vaak soep en brood en eet alleen.
  • Ik kook rijst met groenten en eet met mijn gezin.

3. Hoe vaak sport u en welke sport doet u het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport drie keer per week in de sportschool.
  • Ik ga twee keer per week zwemmen.
  • Ik wandel elke dag een half uur buiten.

4. Hoe reist u meestal naar uw werk of school en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga met de fiets, want dat is snel en gezond.
  • Ik neem de bus en de trein, want het is ver.
  • Ik ga met de auto, omdat ik zware spullen meeneem.

5. Wat doet u in het weekend graag met vrienden of familie?

Voorbeeldantwoorden:

  • We gaan graag picknicken in het park.
  • We bezoeken familie en drinken samen koffie.
  • We gaan naar de stad om te winkelen.

6. Welke apps gebruikt u dagelijks en waarvoor?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik WhatsApp om met vrienden te praten.
  • Ik gebruik Google Maps om routes te vinden.
  • Ik gebruik een nieuwsapp om op de hoogte te blijven.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Gebroken telefoonscherm

Een persoon houdt een telefoon vast met een gebarsten scherm en kijkt bezorgd.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het scherm is kapot. De persoon kan het scherm laten repareren.
  • De telefoon is gevallen. Hij of zij moet een reparatiewinkel zoeken.
  • Het scherm werkt niet goed. Het is verstandig om een specialist te bellen.

8. Hardlopen: buiten of op de loopband

Afbeelding 1: Iemand rent buiten in een park. Afbeelding 2: Iemand rent op een loopband in de sportschool.

Vraag: Waar sport u liever, buiten of in de sportschool? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport liever buiten, want ik houd van frisse lucht.
  • Ik sport liever binnen, want het weer maakt dan niet uit.
  • Ik doe beide, afhankelijk van het weer en mijn tijd.

9. Pakketbezorger

Afbeelding 1: Een koerier laadt dozen in een busje. Afbeelding 2: De bezorger geeft een pakket aan bij een deur. Afbeelding 3: Een klant zet een handtekening op een scanner.

Vraag: Wat doet een pakketbezorger allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Hij laadt pakketten, bezorgt ze en laat een handtekening zetten.
  • De bezorger sorteert, brengt pakketten rond en registreert de ontvangst.
  • Eerst inladen, dan afleveren en tot slot de levering bevestigen.

10. Betalen: contant of pin

Afbeelding 1: Iemand betaalt met contant geld. Afbeelding 2: Iemand betaalt met een pinpas.

Vraag: Hoe betaalt u het liefst, contant of met pin? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik betaal liever met pin, dat is snel en veilig.
  • Ik betaal soms contant, dan houd ik beter overzicht.
  • Ik gebruik pin voor grote bedragen en contant voor kleine.

11. Binnenactiviteiten voor kinderen

Afbeelding 1: Een kind maakt een puzzel. Afbeelding 2: Een kind tekent met kleurpotloden. Afbeelding 3: Een kind bouwt met blokken.

Vraag: Wat doen kinderen allemaal graag binnen? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ze maken een puzzel, tekenen en bouwen met blokken.
  • Kinderen zijn creatief: ze tekenen, puzzelen en bouwen.
  • Puzzelen, tekenen en bouwen zijn populaire activiteiten.

12. Wonen: hoog appartement of huis met tuin

Afbeelding 1: Een appartement op een hoge verdieping in de stad. Afbeelding 2: Een huis met een kleine tuin in een rustige straat.

Vraag: Waar woont u liever, in een hoog appartement of in een huis met tuin? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een huis met tuin, want ik houd van buiten zitten.
  • Ik kies voor een appartement, want dat is centraal en onderhoudsvrij.
  • Ik vind een huis met tuin fijner, vooral voor kinderen.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!