0:00
9:03

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #26

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst op een regenachtige dag en met wie?

Voorbeeldantwoorden:

  • Op een regenachtige dag kijk ik het liefst films thuis met mijn familie.
  • Ik lees graag een boek als het regent. Dan ben ik meestal alleen.
  • Ik ga graag naar een museum als het regent, met vrienden.

2. Naar welke muziek luistert u graag als u verdrietig bent en waar luistert u daar naar?

Voorbeeldantwoorden:

  • Als ik verdrietig ben, luister ik graag naar rustige klassieke muziek. Meestal thuis op de bank.
  • Ik luister dan naar droevige popnummers via mijn koptelefoon in mijn kamer.
  • Ik luister naar jazz in een café als ik verdrietig ben, dat helpt mij te ontspannen.

3. Kijkt u liever films in de bioscoop of thuis? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kijk liever films in de bioscoop, want de sfeer is speciaal en het scherm is groot.
  • Ik kijk liever films thuis, want dan kan ik comfortabel op de bank liggen en een pauze nemen.
  • Ik kijk soms films in de bioscoop, maar meestal kijk ik thuis, dat is goedkoper.

4. Wat is uw favoriete seizoen en wat doet u dan het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete seizoen is de zomer. Dan ga ik graag zwemmen en zonnen op het strand.
  • Ik houd van de lente. Dan ga ik graag wandelen in de natuur en zie ik de bloemen bloeien.
  • De herfst is mijn favoriet. Ik maak dan graag lange fietstochten door het bos.

5. Kookt u graag of bestelt u liever eten? Wat kookt of bestelt u dan meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kook graag zelf. Ik maak dan meestal een uitgebreide pastamaaltijd.
  • Ik bestel liever eten. Ik bestel dan vaak sushi of een Indiase curry.
  • Ik kook de meeste dagen, maar in het weekend bestel ik wel eens een pizza.

6. Wat doet u meestal voordat u gaat slapen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Voordat ik ga slapen, lees ik meestal een boek in bed.
  • Ik kijk graag nog even televisie voordat ik naar bed ga.
  • Ik drink een kopje thee en praat met mijn partner voordat ik ga slapen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lekke autoband

Een persoon kijkt gefrustreerd naar een auto met een platte band aan de kant van de weg. Het is een zonnige dag.

Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De auto heeft een lekke band. De persoon moet de reserveband erop zetten of de wegenwacht bellen.
  • Het probleem is een platte autoband. Hij of zij kan het beste proberen de band te wisselen of hulp in te schakelen.
  • De band is kapot. De persoon moet de auto veilig aan de kant zetten en om assistentie vragen.

8. Studeren: alleen of in groep

Afbeelding 1: Een persoon zit alleen aan een bureau met boeken en een laptop te studeren. Afbeelding 2: Een groep studenten zit samen aan een tafel in een bibliotheek om te studeren en te overleggen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Studeert u liever alleen of in een groep? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik studeer liever alleen, want ik kan me dan beter concentreren en ik word niet afgeleid.
  • Ik studeer liever in een groep, want dan kunnen we elkaar helpen en discussiëren over de stof.
  • Ik wissel af. Voor moeilijke onderwerpen studeer ik alleen, voor projecten studeer ik in een groep.

9. Winkelmedewerker

Afbeelding 1: Een winkelmedewerker hangt kleding netjes op in een kledingzaak. Afbeelding 2: Een winkelmedewerker scant producten bij de kassa voor een klant. Afbeelding 3: Een winkelmedewerker poetst een etalageruit.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een winkelmedewerker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een winkelmedewerker vult de rekken met kleding, helpt klanten aan de kassa en maakt de winkel schoon.
  • Tijdens zijn werk organiseert de winkelmedewerker producten, bedient hij klanten en zorgt hij voor een schone presentatie.
  • Hij of zij moet de kleding ophangen, de klanten helpen met betalen en de ramen van de winkel wassen.

10. In de stad: fiets of auto

Afbeelding 1: Een persoon fietst over een fietspad in een stad met gebouwen en ander verkeer. Afbeelding 2: Een persoon rijdt met een auto op een drukke stadsstraat.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe verplaatst u zich het liefst in de stad, met de fiets of met de auto? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik verplaats me het liefst met de fiets in de stad, want dat is sneller en je hebt geen last van files.
  • Ik rijd liever met de auto in de stad, want ik kan dan meer meenemen en ben niet afhankelijk van het weer.
  • Ik kies voor de fiets in de stad, want het is goedkoper en beter voor het milieu dan de auto.

11. In de tuin

Afbeelding 1: Ouders wateren planten in een tuin. Afbeelding 2: Een kind speelt op een schommel in de tuin. Afbeelding 3: Een familie heeft een barbecue in de tuin.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen families allemaal graag in de tuin? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Families werken in de tuin, kinderen spelen en mensen barbecuen.
  • In de tuin onderhouden families de planten, kinderen spelen op speeltoestellen en ze organiseren barbecues.
  • Ze verzorgen de bloemen, kinderen schommelen en ze eten samen buiten.

12. Wonen: klein huis of appartementencomplex

Afbeelding 1: Een klein, gezellig rijtjeshuis aan een rustige straat. Afbeelding 2: Een groot, modern appartementencomplex met veel verdiepingen in een drukke omgeving.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar woont u liever, in een klein huis of in een groot appartementencomplex? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een klein huis, want ik houd van privacy en een eigen tuin.
  • Ik woon liever in een groot appartementencomplex, want dat is vaak in de stad en dichtbij voorzieningen.
  • Ik kies voor een klein huis, want ik houd niet van veel buren en het is vaak rustiger.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!