0:00
8:42

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #25

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat heeft u vorig jaar gedaan tijdens uw vakantie en met wie was u toen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Vorig jaar ben ik naar Spanje geweest met mijn partner. We hebben daar lekker gerelaxt aan het strand.
  • Ik ben vorig jaar in Nederland gebleven. Ik heb gefietst met mijn familie in Drenthe.
  • Ik heb vorig jaar geen vakantie gehad. Ik heb toen doorgewerkt.

2. Viert u graag uw verjaardag? Hoe viert u die meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik vier mijn verjaardag graag. Ik geef dan een feestje thuis voor vrienden en familie.
  • Ik vier mijn verjaardag rustig. Ik ga dan meestal uit eten met mijn partner.
  • Ik vier mijn verjaardag niet graag. Ik ben liever niet het middelpunt van de aandacht.

3. Naar welke muziek luistert u graag en in welke stemming?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik luister graag naar popmuziek als ik vrolijk ben of aan het sporten ben.
  • Als ik moe ben, luister ik graag naar klassieke muziek om te ontspannen.
  • Ik luister graag naar jazzmuziek als ik rustig wil werken of lezen.

4. Wat is een bekende Nederlandse gewoonte of traditie die u kent en wat vindt u daarvan?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ken Koningsdag. Ik vind het leuk dat iedereen dan oranje draagt en er feesten zijn.
  • Ik ken Sinterklaas. Ik vind het een mooie traditie voor kinderen met cadeautjes.
  • Ik vind de fietscultuur een bijzondere gewoonte. Iedereen fietst hier overal naartoe.

5. Waar ontspant u het liefst, thuis of buitenshuis, en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ontspan het liefst thuis, want dan kan ik lekker op de bank liggen en films kijken.
  • Ik ontspan liever buitenshuis, bijvoorbeeld in een park, want ik houd van frisse lucht.
  • Ik wissel af. Soms wil ik thuis rusten, soms ga ik naar een café voor gezelligheid.

6. Wat is uw favoriete drankje in de avond en drinkt u dat vaak?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete drankje in de avond is thee. Ja, ik drink bijna elke avond thee.
  • Ik drink graag een glas water in de avond. Dat drink ik elke dag.
  • Mijn favoriete avonddrankje is een glas wijn. Nee, dat drink ik niet vaak, alleen in het weekend.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Verstopte wasbak

Een persoon kijkt gefrustreerd naar een verstopte wasbak. Water staat tot de rand en er is water op het aanrecht.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De wasbak is verstopt en loopt over. De persoon moet de kraan dichtdraaien en proberen de verstopping op te lossen.
  • Er is een probleem met de afvoer van de wasbak. Hij of zij moet een loodgieter bellen.
  • De wasbak is vol met water en het kan niet weg. De persoon moet het water weghalen en kijken wat er aan de hand is.

8. Stad of strand

Afbeelding 1: Mensen zijn in een drukke stadstraat met hoge gebouwen en verkeer. Afbeelding 2: Mensen ontspannen op een rustig strand met zand en zee.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Brengt u het liefst uw vrije tijd door in de stad of op het strand? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door op het strand, want ik houd van de zon en het geluid van de zee.
  • Ik breng mijn vrije tijd liever door in de stad, want ik houd van de levendigheid en de vele activiteiten.
  • Ik wissel af. Soms wil ik de rust van het strand, soms de energie van de stad.

9. Politieagent

Afbeelding 1: Een politieagent praat met een persoon aan de kant van de weg. Afbeelding 2: Een politieagent regelt het verkeer op een kruispunt. Afbeelding 3: Een politieagent schrijft een rapport aan een bureau.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een politieagent allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een politieagent praat met mensen, regelt het verkeer en schrijft rapporten.
  • Tijdens zijn werk heeft de politieagent contact met burgers, stuurt hij het verkeer aan en verricht hij administratief werk.
  • Hij of zij moet met mensen praten, de auto's helpen en papieren invullen.

10. Hond of kat

Afbeelding 1: Een persoon wandelt met een hond aan de lijn in een park. Afbeelding 2: Een persoon speelt met een kat op de bank thuis.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welk huisdier vindt u het leukst en wilt u het liefst hebben, een hond of een kat? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind honden het leukst, want ik houd van wandelen en honden zijn heel trouw.
  • Ik vind katten het leukst, want ze zijn rustiger en makkelijker om binnen te houden.
  • Ik houd van beide, maar ik zou het liefst een kat hebben, want ik heb niet zoveel tijd voor een hond.

11. In de keuken

Afbeelding 1: Een persoon kookt in een pan op het fornuis. Afbeelding 2: Een persoon wast af in de gootsteen. Afbeelding 3: Een persoon eet aan een keukentafel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal in de keuken? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen koken, wassen af en eten in de keuken.
  • In de keuken bereiden mensen maaltijden, doen ze de afwas en eten ze vaak hun maaltijden.
  • Ze maken eten, ruimen de afwas op en zitten aan tafel om te eten.

12. Leren: klas of thuis

Afbeelding 1: Een groep studenten zit in een klaslokaal met een leraar. Afbeelding 2: Een persoon studeert thuis aan een bureau met boeken en een laptop.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Leert u liever in een klaslokaal of thuis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik leer liever in een klaslokaal, want dan kan ik vragen stellen aan de leraar en met andere studenten praten.
  • Ik leer liever thuis, want daar is het rustig en kan ik me beter concentreren.
  • Ik doe beide. Soms leer ik graag in een klas, soms studeer ik liever thuis.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!