Nederlands Spreekvaardigheid A2 #25
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Wat heeft u vorig jaar gedaan tijdens uw vakantie en met wie was u toen?
Voorbeeldantwoorden:
- Vorig jaar ben ik naar Spanje geweest met mijn partner. We hebben daar lekker gerelaxt aan het strand.
- Ik ben vorig jaar in Nederland gebleven. Ik heb gefietst met mijn familie in Drenthe.
- Ik heb vorig jaar geen vakantie gehad. Ik heb toen doorgewerkt.
2. Viert u graag uw verjaardag? Hoe viert u die meestal?
Voorbeeldantwoorden:
- Ja, ik vier mijn verjaardag graag. Ik geef dan een feestje thuis voor vrienden en familie.
- Ik vier mijn verjaardag rustig. Ik ga dan meestal uit eten met mijn partner.
- Ik vier mijn verjaardag niet graag. Ik ben liever niet het middelpunt van de aandacht.
3. Naar welke muziek luistert u graag en in welke stemming?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik luister graag naar popmuziek als ik vrolijk ben of aan het sporten ben.
- Als ik moe ben, luister ik graag naar klassieke muziek om te ontspannen.
- Ik luister graag naar jazzmuziek als ik rustig wil werken of lezen.
4. Wat is een bekende Nederlandse gewoonte of traditie die u kent en wat vindt u daarvan?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik ken Koningsdag. Ik vind het leuk dat iedereen dan oranje draagt en er feesten zijn.
- Ik ken Sinterklaas. Ik vind het een mooie traditie voor kinderen met cadeautjes.
- Ik vind de fietscultuur een bijzondere gewoonte. Iedereen fietst hier overal naartoe.
5. Waar ontspant u het liefst, thuis of buitenshuis, en waarom?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik ontspan het liefst thuis, want dan kan ik lekker op de bank liggen en films kijken.
- Ik ontspan liever buitenshuis, bijvoorbeeld in een park, want ik houd van frisse lucht.
- Ik wissel af. Soms wil ik thuis rusten, soms ga ik naar een café voor gezelligheid.
6. Wat is uw favoriete drankje in de avond en drinkt u dat vaak?
Voorbeeldantwoorden:
- Mijn favoriete drankje in de avond is thee. Ja, ik drink bijna elke avond thee.
- Ik drink graag een glas water in de avond. Dat drink ik elke dag.
- Mijn favoriete avonddrankje is een glas wijn. Nee, dat drink ik niet vaak, alleen in het weekend.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Verstopte wasbak
Een persoon kijkt gefrustreerd naar een verstopte wasbak. Water staat tot de rand en er is water op het aanrecht.
Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?
Voorbeeldantwoorden:
- De wasbak is verstopt en loopt over. De persoon moet de kraan dichtdraaien en proberen de verstopping op te lossen.
- Er is een probleem met de afvoer van de wasbak. Hij of zij moet een loodgieter bellen.
- De wasbak is vol met water en het kan niet weg. De persoon moet het water weghalen en kijken wat er aan de hand is.
8. Stad of strand
Afbeelding 1: Mensen zijn in een drukke stadstraat met hoge gebouwen en verkeer. Afbeelding 2: Mensen ontspannen op een rustig strand met zand en zee.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Brengt u het liefst uw vrije tijd door in de stad of op het strand? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik breng mijn vrije tijd het liefst door op het strand, want ik houd van de zon en het geluid van de zee.
- Ik breng mijn vrije tijd liever door in de stad, want ik houd van de levendigheid en de vele activiteiten.
- Ik wissel af. Soms wil ik de rust van het strand, soms de energie van de stad.
9. Politieagent
Afbeelding 1: Een politieagent praat met een persoon aan de kant van de weg. Afbeelding 2: Een politieagent regelt het verkeer op een kruispunt. Afbeelding 3: Een politieagent schrijft een rapport aan een bureau.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een politieagent allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een politieagent praat met mensen, regelt het verkeer en schrijft rapporten.
- Tijdens zijn werk heeft de politieagent contact met burgers, stuurt hij het verkeer aan en verricht hij administratief werk.
- Hij of zij moet met mensen praten, de auto's helpen en papieren invullen.
10. Hond of kat
Afbeelding 1: Een persoon wandelt met een hond aan de lijn in een park. Afbeelding 2: Een persoon speelt met een kat op de bank thuis.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welk huisdier vindt u het leukst en wilt u het liefst hebben, een hond of een kat? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik vind honden het leukst, want ik houd van wandelen en honden zijn heel trouw.
- Ik vind katten het leukst, want ze zijn rustiger en makkelijker om binnen te houden.
- Ik houd van beide, maar ik zou het liefst een kat hebben, want ik heb niet zoveel tijd voor een hond.
11. In de keuken
Afbeelding 1: Een persoon kookt in een pan op het fornuis. Afbeelding 2: Een persoon wast af in de gootsteen. Afbeelding 3: Een persoon eet aan een keukentafel.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal in de keuken? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Mensen koken, wassen af en eten in de keuken.
- In de keuken bereiden mensen maaltijden, doen ze de afwas en eten ze vaak hun maaltijden.
- Ze maken eten, ruimen de afwas op en zitten aan tafel om te eten.
12. Leren: klas of thuis
Afbeelding 1: Een groep studenten zit in een klaslokaal met een leraar. Afbeelding 2: Een persoon studeert thuis aan een bureau met boeken en een laptop.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Leert u liever in een klaslokaal of thuis? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik leer liever in een klaslokaal, want dan kan ik vragen stellen aan de leraar en met andere studenten praten.
- Ik leer liever thuis, want daar is het rustig en kan ik me beter concentreren.
- Ik doe beide. Soms leer ik graag in een klas, soms studeer ik liever thuis.
Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!