Nederlands Spreekvaardigheid A2 #24
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Wat is uw favoriete hobby en hoe vaak doet u die?
Voorbeeldantwoorden:
- Mijn favoriete hobby is lezen. Ik lees elke avond een uur.
- Ik houd van koken. Ik kook bijna elke dag voor mijn familie.
- Mijn hobby is sporten. Ik ga drie keer per week naar de sportschool.
2. Wat vindt u het leukst aan winkelen en wat koopt u dan meestal?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik vind het leuk om nieuwe kleding te kopen. Ik koop dan meestal T-shirts en broeken.
- Het leukste aan winkelen vind ik het ontdekken van nieuwe producten. Ik koop vaak speciale etenswaren.
- Ik vind het leuk om met vrienden te winkelen. Ik koop dan vaak cadeautjes voor anderen.
3. Wat is het belangrijkste cadeau dat u ooit heeft gegeven en aan wie was dat?
Voorbeeldantwoorden:
- Het belangrijkste cadeau dat ik heb gegeven was een laptop aan mijn broer voor zijn studie.
- Ik heb mijn moeder een weekendje weg gegeven voor haar verjaardag. Dat was heel belangrijk voor haar.
- Het belangrijkste cadeau was een zelfgemaakt fotoboek voor mijn partner. Het was vol met herinneringen.
4. Welke dag van de week vindt u het prettigst om vrij te zijn en waarom?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik vind zaterdag het prettigst om vrij te zijn, want dan heb ik het hele weekend nog voor me.
- Ik vind zondag het prettigst, want dan kan ik rustig tijd doorbrengen met mijn familie.
- Vrijdag is mijn favoriete vrije dag, want dan kan ik lekker vroeg aan het weekend beginnen.
5. Wat doet u meestal in de avond om te ontspannen?
Voorbeeldantwoorden:
- In de avond ontspan ik meestal door een film te kijken of een boek te lezen.
- Ik luister graag naar muziek om te ontspannen na een drukke dag.
- Ik maak vaak een korte wandeling om mijn hoofd leeg te maken en te ontspannen.
6. Heeft u een vaste dagelijkse routine? Vertel wat u 's ochtends doet
Voorbeeldantwoorden:
- Ja, ik sta elke ochtend om 7 uur op. Ik drink dan koffie en ontbijt voordat ik ga werken.
- Mijn routine is vrij vast. Ik douche elke ochtend en maak mijn lunch klaar voordat ik wegga.
- Nee, ik heb geen vaste routine. Maar ik zorg altijd dat ik mijn tanden poets en iets eet in de ochtend.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Overlopend toilet
Een persoon kijkt bezorgd naar een overlopend toilet. Water stroomt op de vloer.
Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?
Voorbeeldantwoorden:
- Het toilet loopt over en er ligt water op de vloer. De persoon moet de watertoevoer afsluiten en een loodgieter bellen.
- Het probleem is een verstopping of defect in het toilet. Hij of zij moet snel handdoeken neerleggen en hulp zoeken.
- Er is een overstroming door het toilet. De persoon moet de kraan dichtdraaien en proberen het water op te ruimen.
8. Camping of hotel
Afbeelding 1: Een familie kampeert met een tent op een camping in de natuur. Afbeelding 2: Een luxe hotelkamer in een stad met een groot bed en modern interieur.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vakantie door, op een camping of in een hotel? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik breng mijn vakantie het liefst door op een camping, want ik houd van de natuur en vrijheid.
- Ik verblijf liever in een hotel, want ik houd van comfort en de service in de stad.
- Ik wissel af. Soms kampeer ik voor de avontuur, soms kies ik een hotel voor ontspanning.
9. Winkelmedewerker
Afbeelding 1: Een winkelmedewerker vult de schappen in een supermarkt. Afbeelding 2: Een winkelmedewerker helpt een klant bij de kassa in een kledingwinkel. Afbeelding 3: Een winkelmedewerker sorteert kleding in een magazijn van een winkel.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een winkelmedewerker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een winkelmedewerker vult schappen, helpt klanten aan de kassa en sorteert producten.
- Tijdens zijn werk vult de winkelmedewerker de rekken aan, bedient hij klanten en organiseert hij de goederen in het magazijn.
- Hij of zij moet de winkel netjes maken, klanten helpen en de spullen opruimen.
10. Hobby: lezen of sporten
Afbeelding 1: Een persoon leest een boek op de bank in de woonkamer. Afbeelding 2: Een persoon sport in een sportschool, liftend gewichten.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke hobby doet u het liefst, lezen of sporten? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik sport het liefst, want ik vind het belangrijk om fit en gezond te blijven.
- Ik lees liever, want ik houd van verhalen en ik leer graag nieuwe dingen.
- Ik doe beide. Soms lees ik een boek voor ontspanning, soms sport ik voor energie.
11. In het ziekenhuis
Afbeelding 1: Een patiënt wacht in de wachtkamer van een ziekenhuis. Afbeelding 2: Een verpleegkundige praat met een patiënt in bed. Afbeelding 3: Een dokter onderzoekt een patiënt met een stethoscoop.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal in het ziekenhuis? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- In het ziekenhuis wachten patiënten, verpleegkundigen praten met patiënten en dokters onderzoeken patiënten.
- Patiënten wachten op hun beurt, verpleegkundigen verzorgen en informeren patiënten, en dokters voeren medische controles uit.
- Ze wachten op hulp, praten met verplegers en worden onderzocht door dokters.
12. Auto of motor
Afbeelding 1: Een sportauto rijdt op een weg. Afbeelding 2: Een motorrijder rijdt op een snelweg.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welk vervoermiddel vindt u leuker, een auto of een motor? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik vind een auto leuker, want die is veiliger en comfortabeler, vooral met slecht weer.
- Ik vind een motor leuker, want dat geeft meer vrijheid en een gevoel van avontuur.
- Ik kies voor een auto, want ik kan dan meer mensen meenemen en meer bagage vervoeren.
Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!