0:00
8:22

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #23

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat is uw favoriete kledingstuk en draagt u dat vaak?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete kledingstuk is een spijkerbroek. Ja, ik draag die bijna elke dag.
  • Ik houd van mijn warme trui. Ik draag die vaak in de winter.
  • Mijn favoriete kledingstuk is een jurk. Ik draag die voor speciale gelegenheden.

2. Welke taal spreekt u het liefst, naast Nederlands, en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik spreek het liefst Engels, want dat is mijn moedertaal en ik spreek het vloeiend.
  • Ik spreek graag Spaans, want ik vind het een mooie taal en ik kan met veel mensen praten.
  • Ik spreek het liefst mijn moedertaal, omdat ik daarin mijn gevoelens het best kan uiten.

3. Heeft u vrienden of familie in Nederland? Wat doet u meestal samen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb familie in Nederland. We bezoeken elkaar vaak en eten samen.
  • Ik heb veel vrienden in Nederland. We gaan graag uit eten of naar het park.
  • Nee, mijn familie en vrienden wonen niet in Nederland. Ik ben hier alleen.

4. Welk seizoen vindt u het prettigst en wat doet u dan het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de zomer het prettigst, want dan kan ik lekker naar buiten en zwemmen.
  • Ik vind de lente het prettigst, want dan wordt de natuur weer mooi en kan ik wandelen.
  • Ik houd van de herfst, want dan zijn de kleuren mooi en ik vind de frisse lucht fijn.

5. Waarom leert u Nederlands en wat is uw doel?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik leer Nederlands voor mijn inburgering. Mijn doel is om het examen te halen.
  • Ik leer Nederlands voor mijn werk, want ik wil beter kunnen communiceren met mijn collega's.
  • Ik leer Nederlands omdat ik de Nederlandse cultuur beter wil begrijpen. Mijn doel is om vloeiend te spreken.

6. Wat is de eerste maaltijd van de dag voor u en wat eet u dan?

Voorbeeldantwoorden:

  • De eerste maaltijd is het ontbijt. Ik eet dan meestal brood met kaas of jam.
  • Ik sla het ontbijt vaak over. Mijn eerste maaltijd is de lunch, dan eet ik een salade.
  • Ik drink alleen koffie in de ochtend. Mijn eerste maaltijd is rond 10 uur, dan eet ik yoghurt met fruit.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Autopech

Een man staat bij zijn auto met de motorkap open. Hij kijkt gefrustreerd en er komt rook uit de motor.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan hij het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Zijn auto is kapot, er komt rook uit. Hij moet de wegenwacht bellen.
  • De motor van de auto heeft een probleem. Hij kan het beste de auto uitzetten en hulp zoeken.
  • De auto is oververhit. Hij moet de auto aan de kant zetten en wachten op hulp.

8. Vakantie: natuur of zee

Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een bosrijke omgeving. Afbeelding 2: Een persoon is aan het zwemmen in de zee.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vakantie door, in de natuur of aan zee? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vakantie het liefst door in de natuur, want ik houd van wandelen en frisse lucht.
  • Ik breng mijn vakantie het liefst door aan zee, want ik houd van zwemmen en zonnen op het strand.
  • Ik houd van beide. Soms ga ik naar de bergen, soms naar de kust, voor afwisseling.

9. Schoonmaker

Afbeelding 1: Een schoonmaker stofzuigt een kantoor. Afbeelding 2: Een schoonmaker maakt een badkamer schoon. Afbeelding 3: Een schoonmaker wast ramen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een schoonmaker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een schoonmaker stofzuigt kantoren, maakt badkamers schoon en wast ramen.
  • Tijdens zijn werk stofzuigt de schoonmaker, reinigt hij badkamers en zorgt hij voor schone ramen.
  • Hij of zij moet de vloer stofzuigen, de badkamer poetsen en de ramen wassen.

10. Elektronica kopen: winkel of online

Afbeelding 1: Een persoon bekijkt laptops en telefoons in een fysieke elektronicawinkel. Afbeelding 2: Een persoon bestelt een laptop via een website op een computer.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe koopt u het liefst elektronica, in een winkel of online? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop elektronica het liefst in een fysieke winkel, want ik wil de producten eerst zien en proberen.
  • Ik koop elektronica liever online, want de prijzen zijn vaak lager en de keuze is groter.
  • Ik kijk eerst in een winkel, maar koop daarna vaak online als de prijs beter is.

11. Studeren: alleen of in groep

Afbeelding 1: Een man zit met een laptop, boeken en notities aan een bureau. Afbeelding 2: Een vrouw zit in een collegezaal met een pen en papier. Afbeelding 3: Een groep mensen bespreekt iets rond een whiteboard.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke dingen gebruikt u als u studeert of leert, en studeert u liever alleen of in een groep?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik een laptop en boeken. Ik studeer liever alleen.
  • Ik gebruik pen en papier om aantekeningen te maken. Ik leer het liefst in een groep.
  • Ik gebruik mijn laptop en schrijf notities. Ik studeer soms alleen en soms met anderen.

12. Nieuws: krant of tv

Afbeelding 1: Een persoon leest een krant aan een tafel in een café. Afbeelding 2: Een persoon kijkt televisie thuis op de bank.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe volgt u het nieuws het liefst, via de krant of via televisie? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik volg het nieuws het liefst via de krant, want dan kan ik rustig lezen en nadenken.
  • Ik kijk liever televisie voor het nieuws, want ik zie dan ook beelden en het is vaak sneller.
  • Ik gebruik beide. Soms lees ik de krant voor de details, soms kijk ik tv voor een snel overzicht.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!