Nederlands Spreekvaardigheid A2 #18
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Wat doet u het liefst als u vrij bent van werk of school, en met wie bent u dan?
Voorbeeldantwoorden:
- Als ik vrij ben, ga ik graag wandelen in het park met mijn familie.
- Ik lees het liefst een boek als ik vrij ben. Ik ben dan meestal alleen.
- Ik ga graag uit eten met vrienden als ik vrij ben. Dat is gezellig.
2. Welke vervoersmiddelen gebruikt u dagelijks en welk vindt u het handigst?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik gebruik de fiets elke dag. Dat is het handigst in de stad.
- Ik ga meestal met de bus en de trein. De trein is het handigst voor lange afstanden.
- Ik rijd met de auto. Dat is het handigst, want ik moet veel spullen vervoeren.
3. Wat is uw favoriete drankje in de ochtend en drinkt u dat elke dag?
Voorbeeldantwoorden:
- Mijn favoriete drankje in de ochtend is koffie. Ja, ik drink elke dag twee koppen koffie.
- Ik drink het liefst thee in de ochtend. Ja, ik drink altijd thee.
- Ik drink graag een glas water in de ochtend. Ik drink elke dag water.
4. Wat vindt u typisch Nederlands en wat mist u uit uw geboorteland?
Voorbeeldantwoorden:
- De molens en tulpen vind ik typisch Nederlands. Ik mis de zon uit mijn geboorteland.
- Ik vind de directe communicatie typisch Nederlands. Ik mis het eten uit mijn eigen land.
- De fietspaden zijn typisch Nederlands. Ik mis de gastvrijheid van mijn geboorteland.
5. Hoe oud bent u en wat vindt u het leukste aan uw leeftijd?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik ben 25 jaar. Ik vind het leuk dat ik nog veel kan leren en veel kan reizen.
- Ik ben 40 jaar. Ik vind het fijn dat ik meer ervaring en rust heb.
- Ik ben 35 jaar. Ik vind het leuk dat ik een gezin heb en een goede baan.
6. Wat doet u om gezond te blijven en hoe vaak doet u dat?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik sport drie keer per week in de sportschool om gezond te blijven.
- Ik eet veel groenten en fruit en drink veel water. Dat doe ik elke dag.
- Ik wandel elke dag een uur en probeer genoeg te slapen om fit te blijven.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Autopech
Een vrouw staat met een open motorkap bij haar auto. Ze kijkt gefrustreerd en er komt stoom uit de motor.
Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?
Voorbeeldantwoorden:
- De auto is kapot, er komt stoom uit de motor. Ze moet de wegenwacht bellen.
- Haar auto is oververhit. Ze kan het beste de auto uitzetten en wachten op hulp.
- Het probleem is dat de motor warm is. Ze moet niet verder rijden en een monteur bellen.
8. Lezen: digitaal of papier
Afbeelding 1: Een persoon leest een e-book op een tablet. Afbeelding 2: Een persoon leest een fysiek papieren boek.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe leest u het liefst, digitaal of van papier? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik lees het liefst van papier, want dat is rustiger voor mijn ogen en ik houd van de geur van boeken.
- Ik lees liever digitaal op een tablet, want dat is makkelijk mee te nemen en ik heb veel boeken bij me.
- Ik lees beide. Voor studeren liever van papier, voor ontspanning liever digitaal.
9. Leraar aan het werk
Afbeelding 1: Een leraar geeft les aan een groep studenten in een klaslokaal. Afbeelding 2: Een leraar helpt een student individueel met een opdracht. Afbeelding 3: Een leraar overlegt met collega's in de lerarenkamer.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een leraar allemaal in zijn werk? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een leraar geeft les, helpt studenten en overlegt met collega's.
- De leraar staat voor de klas, begeleidt studenten bij hun werk en bespreekt zaken met andere docenten.
- Hij of zij schrijft op het bord, helpt studenten en praat met andere leraren.
10. Was en drogen
Afbeelding 1: Een persoon wast kleding in een wasmachine. Afbeelding 2: Een persoon hangt wasgoed op om te drogen.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet u meestal met de was, en hoe vaak wast u kleding?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik was kleding in de wasmachine en hang het buiten op. Ik was twee keer per week.
- Ik gebruik de wasmachine en droger. Ik was ongeveer drie keer per week.
- Ik was mijn kleding met de hand en hang het op. Ik was één keer per week.
11. Concert
Afbeelding 1: Een persoon speelt gitaar in een band. Afbeelding 2: Een persoon zingt op een podium. Afbeelding 3: Mensen dansen op livemuziek in een concertzaal.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal bij een concert? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Mensen spelen instrumenten, zingen en dansen op de muziek.
- Bij een concert treden muzikanten op, zingen artiesten en geniet het publiek door te dansen.
- Ze spelen gitaar, zingen liedjes en de mensen dansen veel.
12. Supermarkt of markt
Afbeelding 1: Een drukke supermarkt met veel klanten en volle schappen. Afbeelding 2: Een kleine, lokale markt met kraampjes en verse producten.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar doet u het liefst boodschappen, in een supermarkt of op de markt? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik doe het liefst boodschappen in de supermarkt, want daar is alles bij elkaar en het is makkelijk.
- Ik ga liever naar de markt, want ik houd van verse producten en de gezellige sfeer.
- Ik wissel af. Voor de meeste dingen ga ik naar de supermarkt, voor speciale verse producten ga ik naar de markt.
Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!