Nederlands Spreekvaardigheid A2 #17
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Welke sport doet u het liefst en hoe vaak doet u die sport?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik sport graag in de sportschool. Ik ga twee keer per week.
- Ik zwem graag. Ik zwem één keer per week.
- Ik wandel elke dag. Dat is ook een sport voor mij.
2. Wat is uw favoriete drankje en drinkt u dat elke dag?
Voorbeeldantwoorden:
- Mijn favoriete drankje is water. Ja, ik drink elke dag veel water.
- Ik houd van koffie. Ik drink elke ochtend twee koppen koffie.
- Mijn favoriete drankje is thee. Nee, ik drink niet elke dag thee, soms ook sap.
3. Heeft u een rijbewijs? Vertel ook waarom u wel of geen rijbewijs heeft
Voorbeeldantwoorden:
- Ja, ik heb een rijbewijs. Ik vind het fijn, want ik kan overal naartoe rijden.
- Nee, ik heb geen rijbewijs. Ik reis liever met het openbaar vervoer, dat is milieuvriendelijker.
- Ik heb een rijbewijs, maar ik rijd niet vaak auto. Ik gebruik liever de fiets.
4. Wat vindt u leuk aan Nederland en wat mist u uit uw eigen land?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik vind de fietscultuur in Nederland leuk. Ik mis de zon uit mijn eigen land.
- De tolerantie van de mensen vind ik leuk. Ik mis mijn familie uit mijn eigen land.
- Ik vind de steden mooi in Nederland. Ik mis het eten uit mijn geboorteland.
5. Waar bent u geboren en woont u daar nog steeds, of bent u verhuisd?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik ben geboren in Istanbul en woon nu in Amsterdam.
- Ik ben geboren in Utrecht en woon daar nog steeds.
- Ik ben geboren in Rome, maar ik woon nu in Rotterdam.
6. Wat is de mooiste herinnering die u heeft aan uw kindertijd?
Voorbeeldantwoorden:
- Mijn mooiste herinnering is spelen met mijn broers en zussen in de zomervakantie.
- Ik herinner me een verjaardagsfeestje. Ik kreeg veel cadeautjes.
- De mooiste herinnering is de eerste keer dat ik naar school ging. Ik was heel enthousiast.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Lekke fietsband
Een man staat bij een lekke fietsband. Hij kijkt boos naar de band en het gereedschap dat op de grond ligt.
Vraag: Wat is het probleem en wat kan hij het beste doen?
Voorbeeldantwoorden:
- Het probleem is dat zijn fietsband lek is. Hij kan het beste de band zelf plakken.
- De fiets heeft een platte band. Hij moet naar een fietsenmaker gaan voor reparatie.
- Zijn band is kapot. Hij kan proberen te bellen voor hulp of naar huis lopen met de fiets.
8. Park of café
Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een stadspark. Afbeelding 2: Een persoon zit in een druk café met een kop koffie.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vrije tijd door, in een park of in een café? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in een park, want ik houd van rust en de frisse lucht.
- Ik ga liever naar een café, want ik houd van gezelligheid en mensen kijken.
- Ik wissel af. Soms wil ik rust in het park, soms de levendigheid van een café.
9. Kok in de keuken
Afbeelding 1: Een kok snijdt groenten met een groot mes op een snijplank. Afbeelding 2: Een kok roert in een grote pan op een fornuis. Afbeelding 3: Een kok proeft het eten met een lepel en kijkt geconcentreerd.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een kok allemaal in de keuken? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een kok snijdt groenten, roert in de pan en proeft het eten.
- De kok is bezig met het bereiden van een maaltijd. Hij snijdt de ingrediënten, kookt ze en proeft om de smaak te controleren.
- Hij moet de groenten klein maken, het eten goed mengen en daarna testen of het lekker is.
10. Boodschappen: supermarkt of online
Afbeelding 1: Een persoon doet boodschappen in een fysieke supermarkt. Afbeelding 2: Een persoon bestelt boodschappen online via een laptop.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe doet u de boodschappen, in de gewone supermarkt of online? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik doe de boodschappen het liefst in de gewone supermarkt, want dan kan ik de producten zelf kiezen.
- Ik bestel liever online, want dat is makkelijker en bespaart tijd.
- Ik wissel af. Voor verse producten ga ik naar de supermarkt, voor zware producten bestel ik online.
11. Kinderen in hun vrije tijd
Afbeelding 1: Een meisje leest een boek op haar bed. Afbeelding 2: Een jongen speelt een computerspel met een controller. Afbeelding 3: Een kind tekent aan een tafel.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen kinderen allemaal in hun vrije tijd? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Kinderen lezen boeken, spelen computerspelletjes en tekenen graag.
- In hun vrije tijd lezen kinderen, spelen ze digitale spelletjes en zijn ze creatief bezig met tekenen.
- Ze lezen, gamen en tekenen om zich te vermaken.
12. Wonen: stad of natuur
Afbeelding 1: Een grote stad met veel hoge gebouwen, bruggen en verkeer. Afbeelding 2: Een idyllisch landschap met een meer, bergen en groene natuur.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar zou u het liefst willen wonen, in een grote stad of in de natuur? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik zou het liefst in een grote stad willen wonen, want daar zijn veel banen en winkels.
- Ik woon liever in de natuur, want het is daar rustig en de lucht is schoon.
- Ik kies voor de stad, want ik houd van de energie en de vele mogelijkheden voor amusement.
Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!