Nederlands Spreekvaardigheid A2 #16
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Wat is uw favoriete dag van de week en waarom?
Voorbeeldantwoorden:
- Mijn favoriete dag is zaterdag, want dan ben ik vrij en kan ik leuke dingen doen.
- Ik vind vrijdag het prettigst, want dan is het bijna weekend en kan ik ontspannen.
- Mijn favoriete dag is woensdag. Ik heb dan minder werk en kan eerder naar huis.
2. Wat doet u meestal als u zich niet lekker voelt of ziek bent?
Voorbeeldantwoorden:
- Als ik ziek ben, blijf ik thuis in bed en drink ik veel thee.
- Ik neem een paracetamol en probeer te slapen als ik me niet lekker voel.
- Als ik ziek ben, kijk ik naar films en probeer ik te rusten om snel beter te worden.
3. Wat doet u meestal in de ochtend voordat u naar werk of school gaat?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik sta op, douche, ontbijt en drink koffie voordat ik wegga.
- In de ochtend kleed ik me aan, maak mijn kinderen wakker en dan eten we samen.
- Ik sport eerst in de ochtend, daarna ontbijt ik snel en ga ik naar mijn werk.
4. Wat koopt u het liefst bij de bakker en hoe vaak gaat u daar naartoe?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik koop het liefst vers brood bij de bakker. Ik ga er elke dag naartoe.
- Ik koop graag croissants bij de bakker voor het ontbijt. Ik ga één keer per week.
- Ik koop soms een lekkere taart bij de bakker voor een feestje. Dat is misschien twee keer per maand.
5. Wat is uw droombaan en waarom wilt u dat werk doen?
Voorbeeldantwoorden:
- Mijn droombaan is piloot, want ik houd van reizen en nieuwe plekken zien.
- Ik zou graag leraar willen worden, omdat ik het leuk vind om kennis te delen met studenten.
- Mijn droombaan is eigenaar van een klein café, want ik houd van koken en gasten ontvangen.
6. Welke soort boeken of tijdschriften leest u het liefst?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik lees het liefst romans en spannende verhalen.
- Ik lees graag informatieve boeken over geschiedenis.
- Ik lees het liefst mode-tijdschriften om op de hoogte te blijven van de laatste trends.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Kapotte televisie
Een persoon kijkt sip naar een televisie, waarvan het scherm kapot is en barsten vertoont.
Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?
Voorbeeldantwoorden:
- Het probleem is dat de televisie kapot is. De persoon moet een nieuwe tv kopen.
- Het scherm van de tv is gebroken. Hij of zij kan het beste proberen het te laten repareren, of een nieuwe aanschaffen.
- De televisie werkt niet meer door het kapotte scherm. De persoon moet een specialist bellen.
8. Lopen of fietsen
Afbeelding 1: Een persoon wandelt over een trottoir in een stad. Afbeelding 2: Een persoon fietst op een fietspad.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe verplaatst u zich het liefst voor korte afstanden, te voet of met de fiets? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik verplaats me het liefst te voet voor korte afstanden, want dat is gezond en ik zie meer van de omgeving.
- Ik fiets liever voor korte afstanden, want dat is sneller dan lopen.
- Ik wandel graag als het mooi weer is. Als ik haast heb, pak ik de fiets.
9. Schoonmaker
Afbeelding 1: Een schoonmaker stofzuigt een kantoor. Afbeelding 2: Een schoonmaker maakt een badkamer schoon. Afbeelding 3: Een schoonmaker wast ramen.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een schoonmaker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een schoonmaker stofzuigt kantoren, maakt badkamers schoon en wast ramen.
- Tijdens zijn werk stofzuigt de schoonmaker, reinigt hij badkamers en zorgt hij voor schone ramen.
- Hij of zij moet de vloer stofzuigen, de badkamer poetsen en de ramen wassen.
10. Elektronica kopen: winkel of online
Afbeelding 1: Een persoon bekijkt laptops en telefoons in een fysieke elektronicawinkel. Afbeelding 2: Een persoon bestelt een laptop via een website op een computer.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe koopt u het liefst elektronica, in een winkel of online? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik koop elektronica het liefst in een fysieke winkel, want ik wil de producten eerst zien en proberen.
- Ik koop elektronica liever online, want de prijzen zijn vaak lager en de keuze is groter.
- Ik kijk eerst in een winkel, maar koop daarna vaak online als de prijs beter is.
11. Zomeractiviteiten
Afbeelding 1: Mensen zwemmen in de zee op een zonnige dag. Afbeelding 2: Een familie picknickt in het park onder een boom. Afbeelding 3: Mensen wandelen over een pad in de bergen.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal graag in de zomer? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Mensen zwemmen in de zee. Ze picknicken in het park. Ze wandelen in de bergen.
- In de zomer gaan mensen graag zwemmen in de zee, picknicken ze in het park en maken ze wandelingen in de bergen.
- Ze gaan naar het water, eten in het park en maken uitstapjes in de natuur.
12. Vakantie: ontspannen of actief
Afbeelding 1: Een persoon ligt ontspannen op een strandstoel aan het strand, lezend. Afbeelding 2: Een persoon beklimt een berg, actief en met uitrusting.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke soort vakantie heeft uw voorkeur, een ontspannen vakantie of een actieve vakantie? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik heb een voorkeur voor een ontspannen vakantie op het strand, want ik houd van rust en de zon.
- Ik kies voor een actieve vakantie in de bergen, want ik houd van uitdaging en nieuwe dingen ontdekken.
- Ik wissel af. Soms wil ik ontspannen, soms wil ik actief bezig zijn in de vakantie.
Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!