0:00
8:28

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #16

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat is uw favoriete dag van de week en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete dag is zaterdag, want dan ben ik vrij en kan ik leuke dingen doen.
  • Ik vind vrijdag het prettigst, want dan is het bijna weekend en kan ik ontspannen.
  • Mijn favoriete dag is woensdag. Ik heb dan minder werk en kan eerder naar huis.

2. Wat doet u meestal als u zich niet lekker voelt of ziek bent?

Voorbeeldantwoorden:

  • Als ik ziek ben, blijf ik thuis in bed en drink ik veel thee.
  • Ik neem een paracetamol en probeer te slapen als ik me niet lekker voel.
  • Als ik ziek ben, kijk ik naar films en probeer ik te rusten om snel beter te worden.

3. Wat doet u meestal in de ochtend voordat u naar werk of school gaat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta op, douche, ontbijt en drink koffie voordat ik wegga.
  • In de ochtend kleed ik me aan, maak mijn kinderen wakker en dan eten we samen.
  • Ik sport eerst in de ochtend, daarna ontbijt ik snel en ga ik naar mijn werk.

4. Wat koopt u het liefst bij de bakker en hoe vaak gaat u daar naartoe?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop het liefst vers brood bij de bakker. Ik ga er elke dag naartoe.
  • Ik koop graag croissants bij de bakker voor het ontbijt. Ik ga één keer per week.
  • Ik koop soms een lekkere taart bij de bakker voor een feestje. Dat is misschien twee keer per maand.

5. Wat is uw droombaan en waarom wilt u dat werk doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn droombaan is piloot, want ik houd van reizen en nieuwe plekken zien.
  • Ik zou graag leraar willen worden, omdat ik het leuk vind om kennis te delen met studenten.
  • Mijn droombaan is eigenaar van een klein café, want ik houd van koken en gasten ontvangen.

6. Welke soort boeken of tijdschriften leest u het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees het liefst romans en spannende verhalen.
  • Ik lees graag informatieve boeken over geschiedenis.
  • Ik lees het liefst mode-tijdschriften om op de hoogte te blijven van de laatste trends.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapotte televisie

Een persoon kijkt sip naar een televisie, waarvan het scherm kapot is en barsten vertoont.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de televisie kapot is. De persoon moet een nieuwe tv kopen.
  • Het scherm van de tv is gebroken. Hij of zij kan het beste proberen het te laten repareren, of een nieuwe aanschaffen.
  • De televisie werkt niet meer door het kapotte scherm. De persoon moet een specialist bellen.

8. Lopen of fietsen

Afbeelding 1: Een persoon wandelt over een trottoir in een stad. Afbeelding 2: Een persoon fietst op een fietspad.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe verplaatst u zich het liefst voor korte afstanden, te voet of met de fiets? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik verplaats me het liefst te voet voor korte afstanden, want dat is gezond en ik zie meer van de omgeving.
  • Ik fiets liever voor korte afstanden, want dat is sneller dan lopen.
  • Ik wandel graag als het mooi weer is. Als ik haast heb, pak ik de fiets.

9. Schoonmaker

Afbeelding 1: Een schoonmaker stofzuigt een kantoor. Afbeelding 2: Een schoonmaker maakt een badkamer schoon. Afbeelding 3: Een schoonmaker wast ramen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een schoonmaker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een schoonmaker stofzuigt kantoren, maakt badkamers schoon en wast ramen.
  • Tijdens zijn werk stofzuigt de schoonmaker, reinigt hij badkamers en zorgt hij voor schone ramen.
  • Hij of zij moet de vloer stofzuigen, de badkamer poetsen en de ramen wassen.

10. Elektronica kopen: winkel of online

Afbeelding 1: Een persoon bekijkt laptops en telefoons in een fysieke elektronicawinkel. Afbeelding 2: Een persoon bestelt een laptop via een website op een computer.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe koopt u het liefst elektronica, in een winkel of online? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop elektronica het liefst in een fysieke winkel, want ik wil de producten eerst zien en proberen.
  • Ik koop elektronica liever online, want de prijzen zijn vaak lager en de keuze is groter.
  • Ik kijk eerst in een winkel, maar koop daarna vaak online als de prijs beter is.

11. Zomeractiviteiten

Afbeelding 1: Mensen zwemmen in de zee op een zonnige dag. Afbeelding 2: Een familie picknickt in het park onder een boom. Afbeelding 3: Mensen wandelen over een pad in de bergen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal graag in de zomer? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen zwemmen in de zee. Ze picknicken in het park. Ze wandelen in de bergen.
  • In de zomer gaan mensen graag zwemmen in de zee, picknicken ze in het park en maken ze wandelingen in de bergen.
  • Ze gaan naar het water, eten in het park en maken uitstapjes in de natuur.

12. Vakantie: ontspannen of actief

Afbeelding 1: Een persoon ligt ontspannen op een strandstoel aan het strand, lezend. Afbeelding 2: Een persoon beklimt een berg, actief en met uitrusting.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke soort vakantie heeft uw voorkeur, een ontspannen vakantie of een actieve vakantie? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb een voorkeur voor een ontspannen vakantie op het strand, want ik houd van rust en de zon.
  • Ik kies voor een actieve vakantie in de bergen, want ik houd van uitdaging en nieuwe dingen ontdekken.
  • Ik wissel af. Soms wil ik ontspannen, soms wil ik actief bezig zijn in de vakantie.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!