0:00
8:21

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #15

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u graag met uw familie en waar gaat u dan meestal naartoe?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga graag wandelen met mijn familie in het bos. Dat doen we in het weekend.
  • Wij eten vaak samen thuis met mijn familie. We koken dan iets lekkers.
  • Ik bezoek mijn familie in het buitenland. We gaan dan naar het strand.

2. Welk huisdier vindt u het leukst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind honden het leukst, want ze zijn heel trouw en speels.
  • Ik vind katten het leukst, want ze zijn rustig en onafhankelijk.
  • Ik houd van vissen in een aquarium. Ze zijn mooi om naar te kijken.

3. Wat is uw favoriete Nederlandse feestdag en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete Nederlandse feestdag is Koningsdag, want het is dan gezellig en overal zijn feesten.
  • Ik vind Sinterklaas een leuke feestdag, vooral voor de kinderen, met cadeautjes en snoep.
  • Ik houd van Oud en Nieuw, want dan is er vuurwerk en begint een nieuw jaar.

4. Hoe oud bent u en wat vindt u leuk aan uw leeftijd?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ben 30 jaar oud. Ik vind het leuk dat ik veel ervaring heb en veel weet.
  • Ik ben 22 jaar oud. Ik vind het leuk dat ik nog veel kan leren en veel mogelijkheden heb.
  • Ik ben 45 jaar oud. Ik vind het prettig dat ik rustiger ben geworden en meer tijd heb voor mezelf.

5. Wat doet u meestal als u moe bent?

Voorbeeldantwoorden:

  • Als ik moe ben, ga ik meestal op de bank liggen en kijk ik tv.
  • Ik drink dan een kop thee en lees een boek om te ontspannen.
  • Als ik erg moe ben, ga ik vroeg naar bed om goed uit te rusten.

6. Welke taal vindt u het mooist en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind Spaans de mooiste taal, want de klank is mooi en het klinkt vrolijk.
  • Ik vind mijn moedertaal het mooist, want die is vertrouwd en rijk aan uitdrukkingen.
  • Ik vind het Frans een mooie taal, omdat het heel romantisch klinkt.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lege koelkast

Een persoon kijkt gefrustreerd naar een lege koelkast, met open deuren en geen eten erin.

Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de koelkast leeg is. De persoon moet boodschappen doen.
  • Er is geen eten in de koelkast. Hij of zij kan het beste naar de supermarkt gaan.
  • De persoon heeft honger, want de koelkast is leeg. Ze moet eten bestellen of boodschappen halen.

8. Park of bioscoop

Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een stadspark. Afbeelding 2: Een persoon zit in een bioscoop en kijkt naar een film.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u het liefst uw vrije tijd door, in een park of in een bioscoop? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in een park, want ik houd van de frisse lucht en de natuur.
  • Ik ga liever naar een bioscoop, want ik houd van films kijken en de speciale sfeer.
  • Ik doe beide. Soms wil ik ontspannen in het park, soms wil ik een film zien in de bioscoop.

9. Leraar tijdens lesgeven

Afbeelding 1: Een leraar geeft les aan een groep volwassenen in een klaslokaal. Afbeelding 2: Een leraar geeft online les via een computerscherm. Afbeelding 3: Een leraar helpt een student individueel met huiswerk.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een leraar allemaal tijdens het lesgeven? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een leraar geeft les in een klas, geeft les online en helpt studenten persoonlijk.
  • Tijdens het lesgeven doceert de leraar aan groepen, verzorgt online lessen en biedt individuele begeleiding.
  • Hij of zij staat voor de klas, gebruikt de computer voor lessen en helpt studenten met vragen.

10. Boodschappentas of koffer

Afbeelding 1: Een persoon draagt een zware boodschappentas. Afbeelding 2: Een persoon draagt een koffer op een station.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke tas draagt u het liefst, een boodschappentas of een koffer? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik draag het liefst een koffer, want dat betekent dat ik op vakantie ga.
  • Ik draag liever een boodschappentas, want boodschappen doen is nodig en een koffer is vaak zwaar.
  • Ik draag het liefst geen van beide. Ik gebruik een trolley voor boodschappen en reis met een rugzak.

11. Vrije tijd van kinderen

Afbeelding 1: Een meisje speelt met een bal in de tuin. Afbeelding 2: Een meisje leest een boek op de bank. Afbeelding 3: Een meisje tekent aan een tafel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen kinderen allemaal in hun vrije tijd? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen spelen met een bal, lezen boeken en tekenen graag.
  • In hun vrije tijd spelen kinderen buiten, lezen ze verhaaltjes en zijn ze creatief met tekenen.
  • Ze voetballen, lezen en tekenen om zich te vermaken.

12. Ontspannen: tv of muziek

Afbeelding 1: Een persoon zit op een stoel en kijkt tv. Afbeelding 2: Een persoon luistert naar muziek met een koptelefoon.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe ontspant u het liefst, met tv kijken of met muziek luisteren? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ontspan het liefst met muziek luisteren, want ik word er rustig van.
  • Ik kijk liever tv, want ik houd van films en series.
  • Ik wissel af. Soms luister ik naar muziek, soms kijk ik tv, afhankelijk van mijn humeur.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!