0:00
8:56

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #14

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in uw vrije tijd en met wie doet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport graag in mijn vrije tijd. Ik ga dan met vrienden naar de sportschool.
  • Ik lees het liefst een boek in mijn vrije tijd. Ik doe dat meestal alleen thuis.
  • Ik breng mijn vrije tijd graag door met mijn familie, we gaan dan wandelen in het park.

2. Wat eet u meestal als lunch en waar eet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet meestal brood met kaas als lunch. Ik eet dat op mijn werk.
  • Ik neem vaak een salade mee als lunch. Ik eet dat thuis of op school.
  • Ik eet meestal een warme maaltijd als lunch. Ik eet dat in de kantine.

3. Heeft u contact met familie in het buitenland? Hoe vaak en hoe?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb contact met mijn familie in Turkije. Ik bel ze elke week.
  • Nee, mijn familie woont hier in Nederland. Ik zie ze bijna elke dag.
  • Ja, ik heb contact met mijn familie via video bellen. Ik doe dat twee keer per maand.

4. Wat vindt u moeilijk aan Nederlands leren en wat doet u om het te verbeteren?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de grammatica moeilijk. Ik oefen veel met huiswerk om het te verbeteren.
  • De uitspraak is moeilijk voor mij. Ik kijk veel Nederlandse televisieprogramma's om te oefenen.
  • Ik vind het moeilijk om snel te praten. Ik probeer elke dag met Nederlanders te spreken.

5. Wat is de mooiste plaats waar u geweest bent en waarom was u daar?

Voorbeeldantwoorden:

  • Parijs is de mooiste stad waar ik geweest ben. Ik was daar voor een vakantie met mijn partner.
  • Ik vond Rome heel mooi. Ik was daar om de historische gebouwen te bekijken.
  • De mooiste plaats was een eiland in Indonesië. Ik was daar voor mijn huwelijksreis.

6. Werkt u of studeert u? Wat vindt u het leukste aan uw werk/studie?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik werk als kok. Ik vind het leuk om nieuwe gerechten te maken.
  • Ik studeer Nederlands. Ik vind het leuk om nieuwe woorden te leren.
  • Ik werk als programmeur. Het leukste vind ik het oplossen van ingewikkelde problemen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lekkende kraan

Een keuken met een lekkende kraan. Water druppelt in een emmer op de vloer.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem in deze keuken en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de kraan lekt. De persoon moet een loodgieter bellen.
  • Er druppelt water uit de kraan. Hij of zij kan de hoofdkraan dichtdraaien en dan proberen het te repareren.
  • De kraan is kapot. Het beste is om de wateroverlast te stoppen en een expert te laten kijken.

8. Skiën of zwemmen

Afbeelding 1: Mensen skiën in de sneeuw in de bergen. Afbeelding 2: Mensen zwemmen in een zwembad.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke sport doet u liever, skiën of zwemmen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik doe liever skiën, want ik houd van de bergen en de sneeuw.
  • Ik zwem liever, want ik houd van water en het is goed voor mijn lichaam.
  • Ik zou graag willen skiën, maar ik kan het niet. Daarom kies ik zwemmen.

9. Dokter aan het werk

Afbeelding 1: Een dokter luistert naar de longen van een patiënt met een stethoscoop. Afbeelding 2: Een dokter praat met een patiënt over medicijnen. Afbeelding 3: De dokter schrijft iets in een medisch dossier.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een dokter allemaal in zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een dokter onderzoekt patiënten, geeft advies over medicijnen en noteert informatie.
  • De dokter luistert naar de patiënt, bespreekt de behandeling en schrijft alles op in het dossier.
  • Hij luistert met een stethoscoop, praat over de pillen en schrijft in het medisch dossier.

10. Communicatie: bellen of berichten

Afbeelding 1: Een persoon belt met een mobiele telefoon. Afbeelding 2: Een persoon stuurt een bericht via zijn laptop.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe communiceert u het liefst met vrienden, via bellen of via berichten? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik bel het liefst met vrienden, want ik houd van persoonlijk contact en ik hoor hun stem.
  • Ik stuur liever berichten, want dat is sneller en ik kan nadenken over mijn antwoord.
  • Ik wissel af. Soms bel ik, soms stuur ik een bericht, afhankelijk van hoe druk ik ben.

11. Boodschappen doen

Afbeelding 1: Een vrouw kiest fruit in de supermarkt. Afbeelding 2: Een man kiest groenten. Afbeelding 3: Een persoon pakt een pak melk uit het schap.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal als ze boodschappen doen in de supermarkt? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen kiezen fruit. Ze kiezen groenten. Ze pakken ook producten uit het schap.
  • Als mensen boodschappen doen, selecteren ze fruit en groenten, en pakken ze andere producten zoals melk.
  • Ze kopen verse producten zoals fruit en groenten, en ze pakken basisproducten uit de rekken.

12. Stad of platteland

Afbeelding 1: Een drukke straat in een stad met hoge gebouwen en verkeer. Afbeelding 2: Een rustiek landschap met boerderijen, velden en weinig mensen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar woont u liever, in de stad of op het platteland? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in de stad, want er is veel te doen en te zien en ik houd van de levendigheid.
  • Ik woon liever op het platteland, want het is daar rustiger, schoner en de natuur is dichtbij.
  • Ik kies voor de stad, want daar zijn meer mogelijkheden voor werk en amusement.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!