0:00
8:22

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #13

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in het weekend als u helemaal niets hoeft te doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik slaap het liefst uit en lees een boek op de bank.
  • Ik kijk graag series op tv en kook dan iets lekkers.
  • Ik ga graag wandelen in het park of in het bos om mijn hoofd leeg te maken.

2. Wat is uw favoriete Nederlandse gerecht en hoe vaak eet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet graag stamppot, vooral in de winter. Dat eet ik één keer per maand.
  • Mijn favoriete Nederlandse gerecht is patat met mayonaise. Ik eet dat soms, misschien twee keer per maand.
  • Ik vind haring met uitjes lekker. Ik eet dat als het seizoen is.

3. Wat zijn uw dromen voor de toekomst, bijvoorbeeld qua werk of wonen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik droom ervan om een eigen bedrijf te starten in de IT-sector.
  • Mijn droom is om in een huis met een grote tuin te wonen en daar te tuinieren.
  • Ik hoop dat ik over vijf jaar vloeiend Nederlands spreek en een goede baan heb.

4. Welke openbare vervoermiddelen gebruikt u regelmatig en wat vindt u daar handig aan?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik de bus elke dag. Dat is handig, want de bus stopt dichtbij mijn werk.
  • Ik reis vaak met de trein, want ik kan dan lezen of werken tijdens de reis.
  • Ik gebruik de tram in de stad. Dat is handig omdat de tram door het centrum rijdt.

5. Wat vindt u leuk aan het leren van Nederlands en wat motiveert u om door te gaan?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind het leuk om nieuwe mensen te ontmoeten en met hen Nederlands te praten. Dat motiveert mij.
  • Het leukste is als ik een Nederlandse film zonder ondertiteling kan begrijpen. Dat motiveert mij om verder te leren.
  • Ik vind het leuk om de Nederlandse cultuur beter te begrijpen via de taal. Dat is een grote motivatie.

6. Geeft u graag cadeautjes aan anderen? Wat geeft u dan meestal en aan wie?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik geef graag cadeautjes. Ik geef vaak boeken aan mijn vrienden.
  • Ik geef graag cadeautjes aan mijn familie, vaak praktische dingen die ze nodig hebben.
  • Ik geef het liefst zelfgemaakte cadeautjes, bijvoorbeeld een kaart of een gebakje aan mijn buren.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Autopech

Een man staat bij zijn auto met de motorkap open. Hij kijkt gefrustreerd naar de motor. Rook komt onder de motorkap vandaan.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan hij het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Zijn auto is kapot, er komt rook uit. Hij moet de wegenwacht bellen.
  • De motor van de auto heeft een probleem. Hij kan het beste de auto uitzetten en hulp zoeken.
  • De auto is oververhit. Hij moet de auto aan de kant zetten en wachten op hulp.

8. Reizen: vliegtuig of bus

Afbeelding 1: Een vliegtuig stijgt op van een luchthaven. Afbeelding 2: Een stadsbus stopt bij een halte in een drukke stad.

Vraag: U gaat op reis, welke manier van reizen vindt u het prettigst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind reizen met het vliegtuig het prettigst voor lange afstanden, want dat is snel.
  • Ik reis het liefst met de bus voor korte afstanden, want dat is makkelijk en ik zie veel van de omgeving.
  • Voor een lange reis kies ik het vliegtuig, voor korte uitstapjes in de stad kies ik de bus.

9. Postbode

Afbeelding 1: Een postbode bezorgt brieven bij een huis. Afbeelding 2: Een postbode sorteert pakketjes in een busje. Afbeelding 3: De postbode praat met een klant aan de deur.

Vraag: Wat doet een postbode allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een postbode bezorgt brieven, sorteert pakketjes en praat met klanten.
  • Tijdens zijn werk bezorgt de postbode post en pakketten, en heeft hij contact met mensen aan de deur.
  • Hij brengt de post naar de huizen, ordent de pakketten en spreekt mensen aan de deur.

10. Weer: zonnig of regenachtig

Afbeelding 1: Een zonnige dag met blauwe lucht, mensen genieten buiten. Afbeelding 2: Een regenachtige dag met donkere wolken en regen, mensen schuilen.

Vraag: Welk weer vindt u het prettigst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind zonnig weer het prettigst, want dan kan ik lekker naar buiten.
  • Ik vind regenachtig weer prettig als ik thuis ben, want ik houd van de gezellige sfeer dan.
  • Ik houd het meest van zonnig weer, want ik word vrolijk van de zon.

11. In het park

Afbeelding 1: Een familie picknickt in het park op een deken. Afbeelding 2: Kinderen spelen op een speeltoestel in het park. Afbeelding 3: Een persoon leest een boek op een bankje in het park.

Vraag: Wat doen mensen allemaal in het park? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen picknicken, kinderen spelen en mensen lezen boeken.
  • In het park kunnen mensen picknicken met hun familie, kinderen kunnen spelen op de toestellen en mensen kunnen rustig een boek lezen.
  • Ze eten samen in het gras, kinderen spelen en volwassenen lezen of rusten uit.

12. Wonen: oud of modern

Afbeelding 1: Een oud, historisch gebouw in een stadscentrum met klassieke architectuur. Afbeelding 2: Een modern appartementencomplex met veel glas en strakke lijnen.

Vraag: In welk gebouw zou u het liefst wonen, in een oud gebouw of in een modern appartement? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik zou het liefst in een oud gebouw wonen, want ik houd van de geschiedenis en de sfeer.
  • Ik woon liever in een modern appartement, want dat is vaak van alle gemakken voorzien en heeft een strakke inrichting.
  • Ik kies een oud gebouw, want die hebben meer karakter dan een modern appartement.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!