Nederlands Spreekvaardigheid A2 #12
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Heeft u een vaste dagelijkse routine? Wat doet u elke dag op vaste tijden?
Voorbeeldantwoorden:
- Ja, ik sta elke ochtend om 7 uur op, drink koffie en dan begin ik met werken.
- Mijn routine is vrij vast. Ik sport elke ochtend en eet om 6 uur 's avonds.
- Nee, ik heb geen vaste routine. Elke dag is anders voor mij.
2. Welke kleding draagt u het liefst en waar koopt u uw kleding?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik draag het liefst comfortabele kleding, zoals jeans en T-shirts. Ik koop mijn kleding vaak online.
- Ik draag graag nette kleding voor mijn werk. Ik koop mijn kleding in een kledingwinkel in de stad.
- Ik draag het liefst sportkleding. Ik koop die bij de sportwinkel.
3. Hoe reist u meestal naar uw werk of school en hoe lang duurt de reis?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik reis meestal met de fiets naar mijn werk. Dat duurt ongeveer 15 minuten.
- Ik ga met de bus naar school. De reis duurt ongeveer een half uur.
- Ik rijd met de auto naar mijn werk. De reis duurt ongeveer 20 minuten.
4. Wat is uw favoriete soort film of serie en kijkt u daar vaak naar?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik houd van actiefilms. Ik kijk vaak in het weekend naar een film.
- Mijn favoriete soort serie is een misdaadserie. Ik kijk elke avond een aflevering.
- Ik kijk graag naar komedies. Ik kijk niet zo vaak, misschien één keer per week.
5. Wat vindt u makkelijk of moeilijk aan het leren van Nederlands en wat helpt u daarbij?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik vind de grammatica moeilijk. Veel lezen helpt mij.
- De uitspraak is moeilijk voor mij. Ik kijk veel Nederlandse televisieprogramma's om te oefenen.
- Ik vind het makkelijk om nieuwe woorden te leren. Het spreken is soms nog moeilijk, maar ik probeer veel te praten.
6. Wat heeft u vorig weekend gedaan en met wie was u toen?
Voorbeeldantwoorden:
- Vorig weekend ben ik naar het park geweest met mijn familie.
- Ik heb vorig weekend thuis gerelaxt en een film gekeken. Ik was alleen.
- Ik heb vorig weekend gewerkt. Ik was met mijn collega's.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Lekke band
Een man kijkt bezorgd naar een fiets met een lekke band. Hij houdt de fiets aan de kant van de weg vast, terwijl hij de platte band inspecteert.
Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?
Voorbeeldantwoorden:
- Het probleem is dat de fiets een lekke band heeft. Hij moet de band plakken of vervangen.
- Zijn fietsband is lek. Hij moet de fiets naar een fietsenmaker brengen voor reparatie.
- De band is plat. Hij kan proberen zelf de band te repareren, of naar huis lopen met de fiets.
8. Natuur of winkelcentrum
Afbeelding 1: Een persoon wandelt rustig in een dicht bos, omringd door bomen en groen. Afbeelding 2: Een persoon winkelt in een modern, druk winkelcentrum met veel winkels en mensen.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vrije tijd door, in de natuur of in een winkelcentrum? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in de natuur, want ik houd van wandelen en de frisse lucht.
- Ik ga liever naar een winkelcentrum, want ik houd van shoppen en er zijn veel leuke cafés.
- Ik houd van afwisseling. Soms wil ik rust in de natuur, soms de drukte van een winkelcentrum.
9. Kok tijdens het koken
Een kok in een professionele keuken bereidt een maaltijd. Afbeelding 1: Hij snijdt groenten op een snijplank. Afbeelding 2: Hij roert in een grote pan op het fornuis. Afbeelding 3: Hij proeft het gerecht met een lepel.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een kok allemaal tijdens het koken? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een kok snijdt groenten, roert in de pan en proeft het eten.
- De kok is bezig met het bereiden van een gerecht. Hij snijdt de ingrediënten, kookt ze en proeft om de smaak te controleren.
- Hij moet de groenten klein maken, het eten goed mengen en daarna testen of het lekker is.
10. Werken: kantoor of thuis
Afbeelding 1: Een persoon werkt geconcentreerd op een laptop aan een bureau in een modern kantoor. Afbeelding 2: Een persoon zit thuis aan een tafel en werkt op een laptop, met een kop koffie ernaast.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar werkt u het liefst, op kantoor of thuis? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik werk het liefst thuis, want daar is het rustig en kan ik me goed concentreren.
- Ik werk liever op kantoor, want ik zie mijn collega's en de sfeer is professioneler.
- Ik werk het liefst deels thuis en deels op kantoor, dat is een goede balans.
11. Dokter
Afbeelding 1: Een dokter luistert naar de borst van een patiënt met een stethoscoop. Afbeelding 2: Een dokter bespreekt medicatie met een patiënt. Afbeelding 3: De dokter schrijft aantekeningen in een patiëntendossier.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een dokter allemaal? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een dokter luistert naar patiënten, praat over medicijnen en schrijft alles op.
- De dokter onderzoekt de patiënt, geeft medisch advies en documenteert de bevindingen in het dossier.
- Hij of zij onderzoekt mensen, legt de behandeling uit en maakt notities.
12. Drankjes
Afbeelding 1: Een persoon drinkt een kop warme koffie. Afbeelding 2: Een persoon drinkt een glas thee. Afbeelding 3: Een persoon drinkt een glas water.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke drankjes ziet u en wat drinkt u het liefst als u dorst heeft? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik zie koffie, thee en water. Ik drink het liefst water als ik dorst heb.
- De plaatjes tonen koffie, thee en water. Ik kies altijd voor water als ik dorstig ben.
- Ik zie een kop koffie, een glas thee en een glas water. Bij dorst drink ik het liefst een glas water.
Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!