0:00
8:26

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #11

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in het weekend en met wie bent u dan meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik slaap het liefst uit in het weekend. Ik ben dan meestal alleen of met mijn partner.
  • Ik ga graag naar het park met mijn kinderen in het weekend. We spelen dan samen.
  • Ik bezoek vrienden in het weekend. We drinken dan koffie en praten veel.

2. Welk fruit eet u graag en hoe vaak eet u fruit?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet graag appels. Ik eet elke dag twee appels.
  • Mijn favoriete fruit is banaan. Ik eet één keer per dag fruit.
  • Ik eet graag aardbeien als het zomer is. Ik eet niet elke dag fruit.

3. Wat vindt u van uw buren? Heeft u veel contact met ze?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind mijn buren aardig. Ik heb niet veel contact met ze, soms zeggen we hallo.
  • Ik heb goede buren. We drinken soms samen koffie.
  • Ik heb weinig contact met mijn buren. Ze zijn rustig.

4. Wat vindt u typisch Nederlands en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • De fietsen zijn typisch Nederlands. Iedereen fietst, dat is bijzonder.
  • De grachten en de oude huizen in de steden vind ik typisch Nederlands.
  • Ik vind de tulpen en molens typisch Nederlands, die zie je overal.

5. Welk dier heeft u of zou u graag willen hebben? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb geen huisdieren, maar ik zou graag een kat willen hebben, want die zijn zacht en rustig.
  • Ik heb een hond, want ik houd van wandelen en honden zijn goede vrienden.
  • Ik zou graag een aquarium met vissen willen hebben, want dat is rustgevend.

6. Wat doet u als u vrij bent van werk of school?

Voorbeeldantwoorden:

  • Als ik vrij ben, ga ik graag sporten of met vrienden afspreken.
  • Ik lees graag een boek als ik vrij ben van werk. Dat is ontspannend.
  • Als ik vrij ben, ga ik vaak boodschappen doen en kook ik een lekkere maaltijd.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapotte lamp

Een persoon kijkt bezorgd naar een lamp in de woonkamer, die niet brandt. De gloeilamp is duidelijk kapot.

Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De lamp is kapot. De persoon moet een nieuwe gloeilamp kopen.
  • Het licht werkt niet. Hij of zij moet de gloeilamp vervangen.
  • Er zit een kapotte gloeilamp in de lamp. De persoon moet een nieuwe erin doen.

8. Auto of trein

Afbeelding 1: Een auto rijdt op een snelweg. Afbeelding 2: Een trein rijdt door het landschap.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe reist u liever voor lange afstanden, met de auto of met de trein? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis liever met de trein, want ik kan dan lezen of werken.
  • Ik reis het liefst met de auto, want ik ben dan flexibeler en kan overal stoppen.
  • Voor lange afstanden kies ik de trein, dat is minder stressvol dan autorijden.

9. Dokter in spreekkamer

Afbeelding 1: Een dokter luistert naar de longen van een patiënt met een stethoscoop. Afbeelding 2: Een dokter praat met een patiënt over medicijnen. Afbeelding 3: De dokter schrijft iets in een medisch dossier.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een dokter allemaal in de spreekkamer? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een dokter onderzoekt patiënten, geeft advies over medicijnen en noteert informatie.
  • De dokter luistert naar de patiënt, bespreekt de behandeling en schrijft alles op.
  • Hij luistert met een stethoscoop, praat over de pillen en schrijft in het dossier.

10. Uit eten: luxe restaurant of eetcafé

Afbeelding 1: Een luxe restaurant met witte tafelkleden en kristallen glazen. Afbeelding 2: Een eenvoudig eetcafé met houten tafels en een ontspannen sfeer.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar gaat u liever uit eten, in een luxe restaurant of in een eenvoudig eetcafé? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga liever naar een eenvoudig eetcafé, want de sfeer is relaxter en het is goedkoper.
  • Ik ga liever naar een luxe restaurant voor een speciale gelegenheid, want het eten is vaak bijzonder.
  • Ik ga liever naar een eetcafé, want ik voel me daar meer op mijn gemak.

11. Ontspanning in het weekend

Afbeelding 1: Een persoon leest de krant. Afbeelding 2: Een persoon drinkt koffie op een terras. Afbeelding 3: Een persoon wandelt in het bos.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet u het liefst in het weekend om te ontspannen? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees graag de krant. Ik drink koffie op een terras. Ik wandel in het bos.
  • In het weekend lees ik graag de krant, drink ik koffie op een terras, of maak ik een wandeling in het bos om te ontspannen.
  • Ik doe graag al deze dingen: krant lezen, koffie drinken en wandelen in de natuur.

12. Stad of dorp

Afbeelding 1: Een skyline van een grote stad met hoge gebouwen en veel verkeer. Afbeelding 2: Een rustig dorpje met kleine huizen, een kerk en veel groen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar woont u liever, in een grote stad of in een klein dorp? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een grote stad, want er is veel te doen en te zien.
  • Ik woon liever in een klein dorp, want het is daar rustiger en de natuur is dichtbij.
  • Ik kies voor een stad, want daar zijn meer banen en faciliteiten.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!