0:00
8:49

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #10

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Welke kleding draagt u het liefst en waar koopt u uw kleding?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik draag het liefst comfortabele kleding, zoals jeans en T-shirts. Ik koop mijn kleding vaak online.
  • Ik draag graag nette kleding voor mijn werk. Ik koop mijn kleding in een kledingwinkel in de stad.
  • Ik draag het liefst sportkleding. Ik koop die bij de sportwinkel.

2. Reist u graag? Waar zou u graag naartoe willen reizen en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik reis graag. Ik zou graag naar Japan willen reizen, want ik vind de cultuur interessant.
  • Ik reis graag naar warme landen. Ik wil graag naar Spanje om te zonnen.
  • Nee, ik reis niet zo graag. Ik blijf liever thuis.

3. Wat vindt u van het Nederlandse weer en hoe is het weer in uw geboorteland?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind het Nederlandse weer vaak te regenachtig. In mijn geboorteland is het meestal zonnig.
  • Het Nederlandse weer is wisselvallig, maar ik vind het wel prima. In mijn land is het warmer.
  • Ik houd wel van het Nederlandse weer. In mijn geboorteland is het heel heet in de zomer.

4. Wat eet u meestal bij het avondeten en bereidt u dat zelf?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet meestal rijst met kip en groenten. Ja, dat bereid ik zelf.
  • Bij het avondeten eet ik vaak pasta. Ik kook dat zelf, want ik houd van koken.
  • Ik eet vaak aardappels met vlees en groenten. Mijn partner kookt meestal.

5. Heeft u een vaste dagelijkse routine? Wat doet u elke dag op vaste tijden?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik sta elke ochtend om 7 uur op, drink koffie en dan ga ik werken.
  • Mijn routine is vrij vast. Ik sport elke ochtend en eet om 6 uur 's avonds.
  • Nee, ik heb geen vaste routine. Elke dag is anders voor mij.

6. Wat heeft u vorig weekend gedaan en met wie was u toen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Vorig weekend ben ik naar het park geweest met mijn familie.
  • Ik heb vorig weekend thuis gerelaxt en een film gekeken. Ik was alleen.
  • Ik heb vorig weekend gewerkt. Ik was met mijn collega's.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Wasmachine lekt

Een persoon kijkt bezorgd naar een wasmachine die lekt. Er is veel water op de vloer.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is een lekkende wasmachine. De persoon moet de wasmachine uitzetten en de watertoevoer afsluiten.
  • De wasmachine is kapot en er stroomt water uit. De persoon moet een monteur bellen om het te repareren.
  • Er lekt water uit de wasmachine. Hij of zij moet snel de stekker eruit trekken en dweilen.

8. Park of winkelstraat

Afbeelding 1: Een persoon wandelt rustig in een groen stadspark. Afbeelding 2: Een persoon winkelt in een drukke winkelstraat.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u het liefst uw vrije tijd door, in een park of in een winkelstraat? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in een park, want ik houd van de rust en de natuur.
  • Ik ga liever naar een winkelstraat, want ik houd van winkelen en de gezellige sfeer.
  • Ik doe beide. Soms wil ik ontspannen in het park, soms wil ik winkelen in de stad.

9. Leraar

Afbeelding 1: Een leraar schrijft op het whiteboard in een klaslokaal voor studenten. Afbeelding 2: Een leraar helpt een student individueel met een opdracht. Afbeelding 3: Een leraar overlegt met collega's in de lerarenkamer.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een leraar allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een leraar geeft les, helpt studenten en overlegt met collega's.
  • De leraar staat voor de klas, begeleidt studenten bij hun werk en bespreekt zaken met andere docenten.
  • Hij of zij schrijft op het bord, helpt studenten en praat met andere leraren.

10. Trein of bus

Afbeelding 1: Een drukke trein staat op een station. Afbeelding 2: Een bus rijdt door een stad op een gewone weg.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Met welk openbaar vervoer reist u het liefst, met de trein of met de bus? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis het liefst met de trein, want die is sneller en comfortabeler voor lange afstanden.
  • Ik reis liever met de bus, want de bus stopt dichter bij mijn huis.
  • Ik gebruik de trein als ik ver weg moet. De bus gebruik ik voor korte afstanden in de stad.

11. Thuis vrije tijd

Afbeelding 1: Een persoon leest een boek op de bank. Afbeelding 2: Een persoon kijkt televisie in de woonkamer. Afbeelding 3: Een persoon kookt in de keuken.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal thuis in hun vrije tijd? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen lezen boeken, kijken televisie en koken thuis.
  • In hun vrije tijd thuis lezen mensen graag, kijken ze tv voor ontspanning of zijn ze bezig met koken.
  • Ze lezen, kijken een film of serie en maken lekker eten klaar.

12. Verpleegkundige

Afbeelding 1: Een verpleegkundige praat met een patiënt in bed. Afbeelding 2: Een verpleegkundige geeft een injectie aan een patiënt. Afbeelding 3: Een verpleegkundige schrijft aantekeningen in een medisch dossier.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een verpleegkundige allemaal in het ziekenhuis? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een verpleegkundige praat met patiënten, geeft injecties en schrijft informatie op.
  • In het ziekenhuis verzorgt de verpleegkundige patiënten, geeft medicatie en houdt de medische gegevens bij.
  • Ze moeten met patiënten praten, prikjes geven en administratie doen.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!