Nederlands Spreekvaardigheid A2 #10
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Welke kleding draagt u het liefst en waar koopt u uw kleding?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik draag het liefst comfortabele kleding, zoals jeans en T-shirts. Ik koop mijn kleding vaak online.
- Ik draag graag nette kleding voor mijn werk. Ik koop mijn kleding in een kledingwinkel in de stad.
- Ik draag het liefst sportkleding. Ik koop die bij de sportwinkel.
2. Reist u graag? Waar zou u graag naartoe willen reizen en waarom?
Voorbeeldantwoorden:
- Ja, ik reis graag. Ik zou graag naar Japan willen reizen, want ik vind de cultuur interessant.
- Ik reis graag naar warme landen. Ik wil graag naar Spanje om te zonnen.
- Nee, ik reis niet zo graag. Ik blijf liever thuis.
3. Wat vindt u van het Nederlandse weer en hoe is het weer in uw geboorteland?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik vind het Nederlandse weer vaak te regenachtig. In mijn geboorteland is het meestal zonnig.
- Het Nederlandse weer is wisselvallig, maar ik vind het wel prima. In mijn land is het warmer.
- Ik houd wel van het Nederlandse weer. In mijn geboorteland is het heel heet in de zomer.
4. Wat eet u meestal bij het avondeten en bereidt u dat zelf?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik eet meestal rijst met kip en groenten. Ja, dat bereid ik zelf.
- Bij het avondeten eet ik vaak pasta. Ik kook dat zelf, want ik houd van koken.
- Ik eet vaak aardappels met vlees en groenten. Mijn partner kookt meestal.
5. Heeft u een vaste dagelijkse routine? Wat doet u elke dag op vaste tijden?
Voorbeeldantwoorden:
- Ja, ik sta elke ochtend om 7 uur op, drink koffie en dan ga ik werken.
- Mijn routine is vrij vast. Ik sport elke ochtend en eet om 6 uur 's avonds.
- Nee, ik heb geen vaste routine. Elke dag is anders voor mij.
6. Wat heeft u vorig weekend gedaan en met wie was u toen?
Voorbeeldantwoorden:
- Vorig weekend ben ik naar het park geweest met mijn familie.
- Ik heb vorig weekend thuis gerelaxt en een film gekeken. Ik was alleen.
- Ik heb vorig weekend gewerkt. Ik was met mijn collega's.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Wasmachine lekt
Een persoon kijkt bezorgd naar een wasmachine die lekt. Er is veel water op de vloer.
Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?
Voorbeeldantwoorden:
- Het probleem is een lekkende wasmachine. De persoon moet de wasmachine uitzetten en de watertoevoer afsluiten.
- De wasmachine is kapot en er stroomt water uit. De persoon moet een monteur bellen om het te repareren.
- Er lekt water uit de wasmachine. Hij of zij moet snel de stekker eruit trekken en dweilen.
8. Park of winkelstraat
Afbeelding 1: Een persoon wandelt rustig in een groen stadspark. Afbeelding 2: Een persoon winkelt in een drukke winkelstraat.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u het liefst uw vrije tijd door, in een park of in een winkelstraat? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in een park, want ik houd van de rust en de natuur.
- Ik ga liever naar een winkelstraat, want ik houd van winkelen en de gezellige sfeer.
- Ik doe beide. Soms wil ik ontspannen in het park, soms wil ik winkelen in de stad.
9. Leraar
Afbeelding 1: Een leraar schrijft op het whiteboard in een klaslokaal voor studenten. Afbeelding 2: Een leraar helpt een student individueel met een opdracht. Afbeelding 3: Een leraar overlegt met collega's in de lerarenkamer.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een leraar allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een leraar geeft les, helpt studenten en overlegt met collega's.
- De leraar staat voor de klas, begeleidt studenten bij hun werk en bespreekt zaken met andere docenten.
- Hij of zij schrijft op het bord, helpt studenten en praat met andere leraren.
10. Trein of bus
Afbeelding 1: Een drukke trein staat op een station. Afbeelding 2: Een bus rijdt door een stad op een gewone weg.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Met welk openbaar vervoer reist u het liefst, met de trein of met de bus? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik reis het liefst met de trein, want die is sneller en comfortabeler voor lange afstanden.
- Ik reis liever met de bus, want de bus stopt dichter bij mijn huis.
- Ik gebruik de trein als ik ver weg moet. De bus gebruik ik voor korte afstanden in de stad.
11. Thuis vrije tijd
Afbeelding 1: Een persoon leest een boek op de bank. Afbeelding 2: Een persoon kijkt televisie in de woonkamer. Afbeelding 3: Een persoon kookt in de keuken.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal thuis in hun vrije tijd? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Mensen lezen boeken, kijken televisie en koken thuis.
- In hun vrije tijd thuis lezen mensen graag, kijken ze tv voor ontspanning of zijn ze bezig met koken.
- Ze lezen, kijken een film of serie en maken lekker eten klaar.
12. Verpleegkundige
Afbeelding 1: Een verpleegkundige praat met een patiënt in bed. Afbeelding 2: Een verpleegkundige geeft een injectie aan een patiënt. Afbeelding 3: Een verpleegkundige schrijft aantekeningen in een medisch dossier.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een verpleegkundige allemaal in het ziekenhuis? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een verpleegkundige praat met patiënten, geeft injecties en schrijft informatie op.
- In het ziekenhuis verzorgt de verpleegkundige patiënten, geeft medicatie en houdt de medische gegevens bij.
- Ze moeten met patiënten praten, prikjes geven en administratie doen.
Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!