0:00
8:56

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #9

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Houdt u van koken of bestelt u liever eten? Vertel ook wat u dan het liefst kookt of bestelt

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kook graag zelf. Ik kook het liefst Italiaanse gerechten, zoals pasta.
  • Ik bestel liever eten, want ik heb niet veel tijd om te koken. Ik bestel dan graag pizza.
  • Ik kook meestal thuis, maar soms bestel ik een Indiase maaltijd als ik geen zin heb om te koken.

2. Heeft u een vaste sport of hobby? Hoe vaak doet u dat en waarom vindt u dat leuk?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik zwem drie keer per week. Ik vind het leuk omdat het ontspannend is.
  • Mijn hobby is lezen. Ik lees elke avond een uur, want ik houd van verhalen.
  • Ik sport twee keer per week in de sportschool. Ik doe dat om fit te blijven.

3. Wat is het belangrijkste cadeau dat u ooit heeft gekregen en van wie was dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het belangrijkste cadeau was een horloge van mijn ouders voor mijn verjaardag.
  • Ik kreeg een laptop van mijn broer, dat was heel belangrijk voor mijn studie.
  • Het mooiste cadeau was een reis naar Italië van mijn partner. Dat was een grote verrassing.

4. Wat zijn de belangrijkste feestdagen in uw eigen land en hoe viert u die?

Voorbeeldantwoorden:

  • In mijn land vieren we Nieuwjaar met familie en veel eten.
  • De belangrijkste feestdag is het Suikerfeest. We bezoeken dan familie en vrienden en eten zoetigheden.
  • Wij vieren de Nationale Dag met parades en vuurwerk. De hele stad is dan versierd.

5. Wat mist u het meest aan de supermarkten in uw eigen land?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik mis de grote variatie aan groenten en fruit die ik in mijn eigen land kon vinden.
  • Ik mis de speciale kruiden en specerijen uit mijn eigen land. Die zijn hier moeilijk te vinden.
  • Ik mis de drukte en de sfeer van de lokale markten in mijn geboorteland.

6. Woont u liever in een appartement of in een huis met een tuin? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een huis met een tuin, want ik houd van tuinieren en buiten zijn.
  • Ik woon liever in een appartement, want dat is makkelijker schoon te houden en ik heb minder onderhoud.
  • Ik kies voor een huis met een tuin. Ik wil ruimte voor mijn kinderen om te spelen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapot raam

Een persoon kijkt bezorgd naar een barst in een raam van een huis. Er liggen glasscherven op de grond.

Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het raam is kapot, er zit een barst in. De persoon moet een glaszetter bellen.
  • Er is een raam gebroken en er liggen scherven. Hij of zij moet het glas opruimen en het raam laten repareren.
  • Het probleem is een kapot raam. De persoon kan het beste veiligheidsmaatregelen nemen en hulp zoeken.

8. Kleding kopen: winkel of online

Afbeelding 1: Een drukke kledingwinkel met veel mensen die kleding passen en kopen. Afbeelding 2: Een online webshop voor kleding op een computerscherm.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe koopt u het liefst kleding, in een winkel of online? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop het liefst kleding in een winkel, want ik wil de kleding passen en de stof voelen.
  • Ik koop liever kleding online, want dat is makkelijker en ik heb meer keuze.
  • Ik koop kleding zowel in de winkel als online. Voor speciale kleding ga ik naar de winkel, voor simpele dingen online.

9. Bakker

Afbeelding 1: Een bakker staat vroeg in de ochtend brood te bakken. Afbeelding 2: De bakker decoreert taarten. Afbeelding 3: Klanten kopen broodjes in de bakkerij.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een bakker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een bakker bakt brood. Hij decoreert taarten. Hij verkoopt broodjes.
  • De bakker is bezig met het maken van verse producten. Hij bakt brood, versiert taarten en helpt klanten met de verkoop van broodjes.
  • Hij moet brood maken, taarten versieren en klanten bedienen in de winkel.

10. Vakantie: natuur of zee

Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een bosrijke omgeving. Afbeelding 2: Een persoon is aan het zwemmen in de zee.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vakantie door, in de natuur of aan zee? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vakantie het liefst door in de natuur, want ik houd van wandelen en frisse lucht.
  • Ik breng mijn vakantie het liefst door aan zee, want ik houd van zwemmen en zonnen op het strand.
  • Ik houd van beide. Soms ga ik naar de bergen, soms naar de kust, voor afwisseling.

11. Bibliotheek

Afbeelding 1: Een groep mensen leest boeken en kranten in een stille leeszaal van een bibliotheek. Afbeelding 2: Mensen werken aan computers in een openbare bibliotheek. Afbeelding 3: Kinderen luisteren naar een verhaaltje in een kinderhoekje.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal in een bibliotheek? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen lezen boeken en kranten. Ze werken op computers en kinderen luisteren naar verhaaltjes.
  • In de bibliotheek lezen mensen, gebruiken ze de computers om te studeren of te werken, en voor kinderen zijn er leesactiviteiten.
  • Ze lezen, studeren, gebruiken internet en er is ook een plek voor kinderen om te lezen.

12. Tram of metro

Afbeelding 1: Een tram rijdt door een stad. Afbeelding 2: Een metro komt aan op een ondergronds station.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welk openbaar vervoer gebruikt u het liefst, de tram of de metro? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik het liefst de tram, want die rijdt door de stad en ik zie veel.
  • Ik gebruik liever de metro, want die is sneller en heeft geen last van files.
  • Ik gebruik beide, afhankelijk van waar ik naartoe moet. De metro is voor lange afstanden, de tram voor kortere.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!