Nederlands Spreekvaardigheid A2 #9
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Houdt u van koken of bestelt u liever eten? Vertel ook wat u dan het liefst kookt of bestelt
Voorbeeldantwoorden:
- Ik kook graag zelf. Ik kook het liefst Italiaanse gerechten, zoals pasta.
- Ik bestel liever eten, want ik heb niet veel tijd om te koken. Ik bestel dan graag pizza.
- Ik kook meestal thuis, maar soms bestel ik een Indiase maaltijd als ik geen zin heb om te koken.
2. Heeft u een vaste sport of hobby? Hoe vaak doet u dat en waarom vindt u dat leuk?
Voorbeeldantwoorden:
- Ja, ik zwem drie keer per week. Ik vind het leuk omdat het ontspannend is.
- Mijn hobby is lezen. Ik lees elke avond een uur, want ik houd van verhalen.
- Ik sport twee keer per week in de sportschool. Ik doe dat om fit te blijven.
3. Wat is het belangrijkste cadeau dat u ooit heeft gekregen en van wie was dat?
Voorbeeldantwoorden:
- Het belangrijkste cadeau was een horloge van mijn ouders voor mijn verjaardag.
- Ik kreeg een laptop van mijn broer, dat was heel belangrijk voor mijn studie.
- Het mooiste cadeau was een reis naar Italië van mijn partner. Dat was een grote verrassing.
4. Wat zijn de belangrijkste feestdagen in uw eigen land en hoe viert u die?
Voorbeeldantwoorden:
- In mijn land vieren we Nieuwjaar met familie en veel eten.
- De belangrijkste feestdag is het Suikerfeest. We bezoeken dan familie en vrienden en eten zoetigheden.
- Wij vieren de Nationale Dag met parades en vuurwerk. De hele stad is dan versierd.
5. Wat mist u het meest aan de supermarkten in uw eigen land?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik mis de grote variatie aan groenten en fruit die ik in mijn eigen land kon vinden.
- Ik mis de speciale kruiden en specerijen uit mijn eigen land. Die zijn hier moeilijk te vinden.
- Ik mis de drukte en de sfeer van de lokale markten in mijn geboorteland.
6. Woont u liever in een appartement of in een huis met een tuin? Vertel ook waarom
Voorbeeldantwoorden:
- Ik woon liever in een huis met een tuin, want ik houd van tuinieren en buiten zijn.
- Ik woon liever in een appartement, want dat is makkelijker schoon te houden en ik heb minder onderhoud.
- Ik kies voor een huis met een tuin. Ik wil ruimte voor mijn kinderen om te spelen.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Kapot raam
Een persoon kijkt bezorgd naar een barst in een raam van een huis. Er liggen glasscherven op de grond.
Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?
Voorbeeldantwoorden:
- Het raam is kapot, er zit een barst in. De persoon moet een glaszetter bellen.
- Er is een raam gebroken en er liggen scherven. Hij of zij moet het glas opruimen en het raam laten repareren.
- Het probleem is een kapot raam. De persoon kan het beste veiligheidsmaatregelen nemen en hulp zoeken.
8. Kleding kopen: winkel of online
Afbeelding 1: Een drukke kledingwinkel met veel mensen die kleding passen en kopen. Afbeelding 2: Een online webshop voor kleding op een computerscherm.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe koopt u het liefst kleding, in een winkel of online? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik koop het liefst kleding in een winkel, want ik wil de kleding passen en de stof voelen.
- Ik koop liever kleding online, want dat is makkelijker en ik heb meer keuze.
- Ik koop kleding zowel in de winkel als online. Voor speciale kleding ga ik naar de winkel, voor simpele dingen online.
9. Bakker
Afbeelding 1: Een bakker staat vroeg in de ochtend brood te bakken. Afbeelding 2: De bakker decoreert taarten. Afbeelding 3: Klanten kopen broodjes in de bakkerij.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een bakker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Een bakker bakt brood. Hij decoreert taarten. Hij verkoopt broodjes.
- De bakker is bezig met het maken van verse producten. Hij bakt brood, versiert taarten en helpt klanten met de verkoop van broodjes.
- Hij moet brood maken, taarten versieren en klanten bedienen in de winkel.
10. Vakantie: natuur of zee
Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een bosrijke omgeving. Afbeelding 2: Een persoon is aan het zwemmen in de zee.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vakantie door, in de natuur of aan zee? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik breng mijn vakantie het liefst door in de natuur, want ik houd van wandelen en frisse lucht.
- Ik breng mijn vakantie het liefst door aan zee, want ik houd van zwemmen en zonnen op het strand.
- Ik houd van beide. Soms ga ik naar de bergen, soms naar de kust, voor afwisseling.
11. Bibliotheek
Afbeelding 1: Een groep mensen leest boeken en kranten in een stille leeszaal van een bibliotheek. Afbeelding 2: Mensen werken aan computers in een openbare bibliotheek. Afbeelding 3: Kinderen luisteren naar een verhaaltje in een kinderhoekje.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal in een bibliotheek? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Mensen lezen boeken en kranten. Ze werken op computers en kinderen luisteren naar verhaaltjes.
- In de bibliotheek lezen mensen, gebruiken ze de computers om te studeren of te werken, en voor kinderen zijn er leesactiviteiten.
- Ze lezen, studeren, gebruiken internet en er is ook een plek voor kinderen om te lezen.
12. Tram of metro
Afbeelding 1: Een tram rijdt door een stad. Afbeelding 2: Een metro komt aan op een ondergronds station.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welk openbaar vervoer gebruikt u het liefst, de tram of de metro? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik gebruik het liefst de tram, want die rijdt door de stad en ik zie veel.
- Ik gebruik liever de metro, want die is sneller en heeft geen last van files.
- Ik gebruik beide, afhankelijk van waar ik naartoe moet. De metro is voor lange afstanden, de tram voor kortere.
Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!