0:00
8:27

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #7

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Heeft u huisdieren? Welk dier heeft u of zou u graag willen hebben?

Voorbeeldantwoorden:

  • Nee, ik heb geen huisdieren. Ik zou graag een kat willen hebben, want katten zijn lief.
  • Ja, ik heb een hond. Hij heet Max en hij is heel speels.
  • Nee, ik heb geen huisdieren, want ik heb geen tijd om voor ze te zorgen.

2. Welk seizoen vindt u het prettigst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de zomer het prettigst, want het is dan lekker warm en zonnig.
  • Ik vind de lente het prettigst, want dan bloeien alle bloemen en wordt het warmer.
  • Ik vind de herfst prettig, want de kleuren van de bladeren zijn mooi en het is niet te heet.

3. Heeft u een rijbewijs? Vertel ook waarom u wel of geen rijbewijs heeft

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb een rijbewijs. Ik vind het fijn, want ik kan overal naartoe rijden.
  • Nee, ik heb geen rijbewijs. Ik reis liever met het openbaar vervoer, dat is milieuvriendelijker.
  • Ja, ik heb een rijbewijs. Ik gebruik mijn auto elke dag voor mijn werk.

4. Wat doet u om fit te blijven en hoe vaak doet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga twee keer per week naar de sportschool. Daar doe ik krachttraining.
  • Ik wandel elke dag een uur in het park. Dat helpt mij om fit te blijven.
  • Ik zwem drie keer per week. Ik vind zwemmen ontspannend en goed voor mijn conditie.

5. Wat is uw favoriete drankje en drinkt u dat elke dag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete drankje is water. Ja, ik drink elke dag veel water.
  • Ik houd van koffie. Ja, ik drink elke ochtend twee koppen koffie.
  • Mijn favoriete drankje is thee. Nee, ik drink niet elke dag thee, soms ook sap.

6. Wat vindt u het leukste aan Nederland?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de fietscultuur in Nederland het leukst. Overal kan ik fietsen.
  • De tolerantie en de openheid van de mensen vind ik het leukste aan Nederland.
  • Ik vind de architectuur en de grachten in de steden het leukst aan Nederland.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Bushalte in regen

Een persoon staat bij een bushalte met een paraplu, kijkend naar de regen die valt.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Deze persoon staat bij een bushalte. Wat is het weer en wat doet de persoon?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het regent. De persoon gebruikt een paraplu.
  • Het is slecht weer, het regent hard. De persoon wacht op de bus met een paraplu.
  • Het weer is regenachtig. De persoon beschermt zich tegen de regen met een paraplu.

8. Dag beginnen

Afbeelding 1: Een persoon geniet van een kop koffie in een gezellig café. Afbeelding 2: Een persoon leest een krant thuis op de bank.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe begint u het liefst uw dag, met koffie in een café of rustig thuis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik begin mijn dag het liefst rustig thuis met een kop koffie en de krant. Dan kan ik rustig wakker worden.
  • Ik begin mijn dag het liefst in een café. Ik vind het leuk om mensen te zien en de sfeer is gezellig.
  • Ik begin mijn dag thuis met koffie. Ik hoef dan niet naar buiten.

9. Speeltuin

Afbeelding 1: Een kind speelt in een zandbak. Afbeelding 2: Een kind schommelt. Afbeelding 3: Een kind glijdt van een glijbaan.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen kinderen in de speeltuin? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen spelen in de zandbak, schommelen en glijden van de glijbaan.
  • Ze zijn in de speeltuin. Ze graven in het zand, schommelen heen en weer en glijden naar beneden.
  • Op de speeltuin zien we kinderen spelen in het zand, schommelen en van de glijbaan afgaan.

10. Lekke band

Een man kijkt bezorgd naar een lekke band van zijn fiets, die hij aan de kant van de weg vasthoudt.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Deze man is onderweg met zijn fiets. Wat is het probleem en wat moet hij nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is een lekke band. Hij moet zijn fiets naar huis duwen en de band plakken.
  • Zijn band is lek. Hij moet de fiets repareren of naar de fietsenmaker brengen.
  • De fietsband is plat. Hij kan het beste de fiets laten maken.

11. Winkelen

Afbeelding 1: Een vrouw koopt kleding in een kledingwinkel. Afbeelding 2: Een man koopt boodschappen in een supermarkt. Afbeelding 3: Een persoon koopt een boek in een boekwinkel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke dingen koopt u het liefst als u gaat winkelen? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop het liefst boeken. Ik ga graag naar de boekwinkel.
  • Ik koop het liefst kleding. Ik koop ook vaak boodschappen in de supermarkt.
  • Als ik ga winkelen, koop ik het liefst kleding of boeken. Boodschappen doe ik minder graag.

12. Vrije tijd met anderen

Afbeelding 1: Een groep vrienden zit gezellig op een terras te praten en te lachen. Afbeelding 2: Een familie viert een verjaardag met taart en cadeaus. Afbeelding 3: Een stel kijkt samen een film in de bioscoop.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vrije tijd door met vrienden of familie? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door met vrienden op een terras. Dat is gezellig.
  • Ik vier het liefst verjaardagen met mijn familie. We eten dan taart en praten veel.
  • Ik ga graag met mijn partner naar de bioscoop. Maar ik vind het ook fijn om met vrienden iets te drinken.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!