0:00
7:09

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #6

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in uw vrije tijd en waarom vindt u dat leuk?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kijk graag films, want dat is ontspannend.
  • Ik lees graag boeken, want ik leer dan veel.
  • Ik sport graag, want ik wil fit blijven.

2. Waar woont u nu en wat vindt u het leukste aan die plaats?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon in Utrecht. Ik vind de grachten het leukst.
  • Ik woon in een dorp. Ik vind de rust daar fijn.
  • Ik woon in Amsterdam. De musea zijn het leukst.

3. Wat is de mooiste stad waar u geweest bent en wat heeft u daar gedaan?

Voorbeeldantwoorden:

  • Parijs is de mooiste stad. Ik heb daar de Eiffeltoren gezien.
  • Rome is erg mooi. Ik heb veel oude gebouwen bezocht.
  • Ik vond Istanbul heel mooi. Ik heb er heerlijk gegeten.

4. Werkt u of studeert u? Wat doet u precies en hoe lang?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik werk. Ik ben verkoper en ik werk al 5 jaar.
  • Ik studeer Nederlands. Ik studeer al 1 jaar.
  • Ik werk als kok. Ik doe dat al 10 jaar.

5. Hoe laat begint uw dag en wat is het eerste wat u 's ochtends doet?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn dag begint om 7 uur. Ik drink dan thee.
  • Ik sta om half 8 op. Ik poets eerst mijn tanden.
  • Mijn dag begint om 6 uur. Ik ga dan sporten.

6. Welk eten vindt u lekker en welk eten vindt u minder lekker?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind pasta heel lekker, maar ik houd niet zo van vis.
  • Ik eet graag kip. Ik vind spruitjes niet lekker.
  • Ik houd van pizza. Ik vind kaas niet lekker.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Hardlopen

Een vrouw rent buiten in een park, luisterend naar muziek met oordopjes in.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Welke sport doet zij en hoe vaak doet zij dat volgens u?

Voorbeeldantwoorden:

  • Zij rent in het park. Ik denk dat zij twee keer per week rent.
  • Zij is aan het hardlopen. Zij doet dat waarschijnlijk vaak, misschien elke dag.
  • Zij sport buiten. Ik denk dat ze minstens drie keer per week hardloopt.

8. Wonen

Afbeelding 1: Een moderne flat in een stad. Afbeelding 2: Een vrijstaand huis met een grote tuin.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. In welk huis woont u liever, in een flat of in een vrijstaand huis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een flat, want dat is makkelijk schoon te maken.
  • Ik woon liever in een vrijstaand huis, want ik wil graag een grote tuin hebben.
  • Ik kies voor een vrijstaand huis. Ik wil privacy en veel ruimte.

9. Bibliotheek

Afbeelding 1: Een student leest een boek aan een tafel in een bibliotheek. Afbeelding 2: Een andere student werkt op een laptop aan een studie. Afbeelding 3: Twee mensen bespreken iets bij een boekenrek.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen deze mensen allemaal in de bibliotheek? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ze lezen boeken, werken op een laptop en praten over hun studie.
  • Mensen zijn in de bibliotheek om te studeren. Ze lezen, werken op de computer en bespreken dingen.
  • Ze lezen, gebruiken een laptop en overleggen met elkaar.

10. Lekkende kraan

Een lekkende kraan in een keuken, met water dat op het aanrecht druppelt en een emmer die eronder staat.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem en wat kan de persoon volgens u het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De kraan lekt. De persoon moet een loodgieter bellen.
  • Er komt water uit de kraan. Hij of zij kan de kraan dichtdraaien en proberen het te repareren.
  • Het water stroomt uit de kraan. Ze moeten de hoofdkraan dichtzetten en om hulp vragen.

11. Maaltijd bereiden

Een vrouw bereidt een feestmaaltijd. Afbeelding 1: Zij snijdt veel groenten. Afbeelding 2: Zij bakt vis in een grote pan. Afbeelding 3: Zij schikt het eten mooi op borden.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet deze vrouw om een maaltijd klaar te maken? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Zij snijdt groenten. Zij bakt vis. Zij serveert het eten.
  • Deze vrouw snijdt groenten, bakt vis en maakt de borden mooi op.
  • Ze maakt een maaltijd. Eerst snijdt ze groenten, dan bakt ze vis en daarna legt ze het op de borden.

12. Lange reis

Afbeelding 1: Een vliegtuig in de lucht. Afbeelding 2: Een hogesnelheidstrein op het spoor. Afbeelding 3: Een auto op een snelweg.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. U gaat op een lange reis. Met welk vervoermiddel reist u het liefst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis het liefst met het vliegtuig, want dat is het snelst.
  • Ik reis het liefst met de trein, want ik kan dan werken of lezen.
  • Ik reis het liefst met de auto, want dan ben ik flexibel en kan ik stoppen waar ik wil.