Nederlands Spreekvaardigheid A2 #4
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Hoe heeft u uw huis ingericht? Vertel ook waarom u dat zo heeft gedaan
Voorbeeldantwoorden:
- Ik heb mijn huis modern ingericht. Ik hou van strakke lijnen en weinig spullen.
- Ik heb mijn huis klassiek ingericht. Ik houd van oude meubels en warme kleuren.
- Mijn huis is heel praktisch ingericht. Ik heb niet veel tijd voor decoratie, dus het moet makkelijk zijn.
2. Wat is uw ideale plaats om te wonen? Vertel ook waarom
Voorbeeldantwoorden:
- Mijn ideale plaats is Amsterdam. Ik houd van de levendige sfeer en de grachten.
- Ik wil graag in een rustig dorp wonen, want ik houd van de natuur en stilte.
- Mijn ideale plek is een stad aan zee, want ik houd van de combinatie van strand en stad.
3. Bent u ook wel eens boos? In welke situaties bent u boos
Voorbeeldantwoorden:
- Ja, ik ben wel eens boos. Ik word boos als mensen liegen.
- Ik ben zelden boos, maar als ik boos ben, is dat vaak in het verkeer.
- Ik word boos als ik veel moet betalen voor iets dat niet goed is.
4. Wat weet u van de Nederlandse basisschool
Voorbeeldantwoorden:
- De basisschool is voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Ze gaan er zonder uniform naartoe.
- Ik weet dat kinderen vanaf 4 jaar naar de basisschool gaan. Jongens en meisjes zitten samen in één klas.
- De Nederlandse basisschool begint op 4 jaar. Ze leren er lezen, schrijven en rekenen.
5. Reist u vaak met de bus? Vertel ook waarom
Voorbeeldantwoorden:
- Ja, ik reis vaak met de bus, want dat is snel en makkelijk.
- Nee, ik reis niet vaak met de bus. Ik reis liever met de fiets.
- Ik reis soms met de bus als ik naar het centrum moet, want parkeren is duur.
6. Wat vindt u beter in uw eigen land dan in Nederland? Vertel ook waarom
Voorbeeldantwoorden:
- Ik vind het klimaat in mijn eigen land beter, want ik houd van zon en warmte.
- De keuken in mijn eigen land is veel beter dan in Nederland, omdat het eten gevarieerder is.
- Ik vind de gastvrijheid in mijn eigen land beter, mensen zijn daar warmer.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Fietsen naar werk
Een man fietst naar zijn werk in de regen met een paraplu.
Vraag: Kijk naar het plaatje. Hoe reist Henk naar zijn werk en wat doet hij tegen de regen?
Voorbeeldantwoorden:
- Hij fietst naar zijn werk. Hij gebruikt een paraplu.
- Henk is onderweg met de fiets. Hij beschermt zich tegen de regen met een paraplu.
- Hij fietst en heeft een paraplu vast, waarschijnlijk omdat het regent.
8. Uit eten
Afbeelding 1: Een typische Nederlandse snackbar met friet en snacks. Afbeelding 2: Een chique restaurant met tafels gedekt voor het diner.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar gaat u liever uit eten, in een snackbar of in een restaurant? Vertel ook hoe vaak u daar naartoe gaat.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik ga liever naar een restaurant. Ik ga één keer per maand.
- Ik ga liever naar een snackbar. Ik ga ongeveer twee keer per maand.
- Ik ga soms naar een snackbar en soms naar een restaurant, misschien twee keer per maand.
9. Koffie op laptop
Een vrouw kijkt geschrokken naar haar laptop, waar een kop koffie overheen is gevallen op het toetsenbord.
Vraag: Kijk naar het plaatje. Paula heeft een computer. Wat is het probleem en wat kan zij volgens u het beste doen?
Voorbeeldantwoorden:
- Het probleem is dat de koffie op haar toetsenbord is gevallen. Ze moet een nieuw toetsenbord kopen.
- Haar laptop is nat geworden door de koffie. Ze moet de computer uitzetten en schoonmaken, of naar de reparateur brengen.
- Er zit koffie op haar computer. Ze kan het beste de computer uitdoen en laten drogen, of een expert om hulp vragen.
10. 5 december (Sinterklaas)
Afbeelding 1: Een kinderhand ontvangt een cadeautje in een schoen op 5 december. Afbeelding 2: Een groep mensen zingt liedjes en eet pepernoten.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Het is 5 december. Wat doen veel Nederlanders op deze dag en wat doet u zelf op 5 december?
Voorbeeldantwoorden:
- Nederlanders geven elkaar cadeaus. Ik doe niet mee met Sinterklaas.
- Op 5 december vieren veel Nederlanders Sinterklaas. Ze zingen liedjes en eten lekkernijen. Ik vier het met mijn kinderen.
- Mensen zetten hun schoen en krijgen cadeautjes. Ik vier het niet, want ik ben geen Nederlander.
11. Droomhuis
Een vrouw kijkt naar een droomhuis: een grote, moderne villa met een zwembad en een tuin.
Vraag: Kijk naar het plaatje. Marleen droomt over een nieuw huis. Over wat voor soort huis droomt zij volgens u en is zo'n huis duur of goedkoop?
Voorbeeldantwoorden:
- Zij droomt over een grote villa. Zo'n huis is erg duur.
- Marleen droomt van een luxe huis met een zwembad. Dit is waarschijnlijk een heel duur huis.
- Ze droomt van een grote, moderne villa met een tuin. Zulk huis is heel duur.
12. Huishouden
Afbeelding 1: Een vrouw veegt de vloer. Afbeelding 2: Een vrouw maakt de wc schoon. Afbeelding 3: Een vrouw wast de ramen.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Priscilla maakt haar huis schoon. Vertel wat zij allemaal doet.
Voorbeeldantwoorden:
- Zij maakt de vloer schoon. Zij maakt de wc schoon. Zij maakt ook de ramen schoon.
- Priscilla is bezig met het huishouden. Ze veegt de vloer, poetst het toilet en wast de ramen.
- Ze veegt, poetst de wc en wast de ramen om haar huis schoon te maken.