Nederlands Spreekvaardigheid A2 #3
12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen
Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)
1. Waarom leert u Nederlands en wat vindt u moeilijk aan de taal?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik leer Nederlands voor mijn werk. Ik vind de grammatica erg moeilijk.
- Ik leer Nederlands om in Nederland te wonen. De uitspraak vind ik het moeilijkst.
- Ik leer Nederlands omdat ik de cultuur interessant vind. Het praten vind ik het moeilijkste.
2. Welk dier vindt u leuk of niet leuk, en waarom?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik vind katten niet leuk, want ik ben allergisch.
- Ik vind honden erg leuk, want ze zijn trouw en gezellig.
- Ik vind paarden mooie dieren. Ik houd van hun kracht.
3. Waar eet u het liefst en met wie eet u dan meestal?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik eet het liefst thuis met mijn familie.
- Ik eet het liefst in een restaurant met mijn vrienden.
- Ik eet het liefst bij mijn ouders. Ik eet dan met mijn hele familie.
4. Hoe laat staat u op en wat is het eerste wat u doet?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik sta om 7 uur op. Ik drink dan eerst koffie.
- Ik sta om half 7 op. Het eerste wat ik doe is douchen.
- Ik sta om 8 uur op. Ik ontbijt dan meteen.
5. Wat heeft u kort geleden gekocht en waar heeft u dat gekocht?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik heb gisteren nieuwe schoenen gekocht in de stad.
- Ik heb vorige week een boek gekocht bij de boekhandel.
- Ik heb eergisteren boodschappen gedaan bij de supermarkt.
6. Wat doet u het liefst in het weekend en waarom vindt u dat fijn?
Voorbeeldantwoorden:
- In het weekend slaap ik het liefst uit, want ik ben moe van de week.
- Ik ga in het weekend graag naar buiten, wandelen in het park, want ik houd van de natuur.
- Ik kijk het liefst films in het weekend, want ik vind dat ontspannend.
Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)
7. Boodschappen
Een man met veel boodschappentassen loopt uit een supermarkt.
Vraag: De man heeft boodschappen gedaan. Hoe doet u zelf boodschappen en waar doet u dat meestal?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik doe mijn boodschappen met de auto. Ik ga meestal naar de Albert Heijn.
- Ik doe mijn boodschappen met de fiets. Ik ga dan naar de Lidl.
- Ik doe mijn boodschappen online. Ik bestel dan bij Picnic.
8. Avondactiviteiten
Afbeelding 1: Een persoon leest een boek op de bank. Afbeelding 2: Een persoon kijkt tv.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw avond door en hoe vaak doet u dat?
Voorbeeldantwoorden:
- Ik lees het liefst een boek in de avond. Ik doe dat bijna elke avond.
- Ik kijk het liefst televisie in de avond. Ik kijk dan naar series of films.
- Ik wissel af. Soms lees ik, soms kijk ik tv, zo'n drie keer per week.
9. Kinderen spelen
Afbeelding 1: Een kind speelt buiten in een park. Afbeelding 2: Een kind speelt binnen met speelgoed.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar spelen kinderen volgens u het liefst, buiten of binnen? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Kinderen spelen volgens mij het liefst buiten, want daar kunnen ze rennen en sporten.
- Ik denk dat kinderen het liefst binnen spelen als het regent, dan spelen ze met speelgoed.
- Ik denk dat kinderen een combinatie het leukst vinden. Buiten voor energie, binnen voor rust.
10. Werklocaties
Afbeelding 1: Een persoon heeft een koffie en laptop op een tafel in een café. Afbeelding 2: Een persoon zit thuis op de bank met een tablet.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar werkt u het liefst, in een café of thuis? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik werk het liefst thuis, want daar is het rustig en kan ik me goed concentreren.
- Ik werk het liefst in een café, want de sfeer is gezellig en ik zie andere mensen.
- Ik werk liever niet in een café. Thuis werk ik het meest efficiënt.
11. Kok aan het koken
Een kok bereidt een maaltijd in een professionele keuken. Afbeelding 1: Hij snijdt groenten. Afbeelding 2: Hij roert in een pan. Afbeelding 3: Hij proeft het eten.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet deze kok allemaal tijdens het koken? Gebruik alle plaatjes.
Voorbeeldantwoorden:
- Hij snijdt groenten, roert in de pan en proeft het eten.
- Deze kok is bezig met het bereiden van een maaltijd. Hij snijdt ingrediënten, kookt en proeft om de smaak te controleren.
- Hij moet de groenten klein maken, het eten goed mengen en dan controleren of het lekker is.
12. Stadsactiviteiten
Afbeelding 1: Een stadspark met veel groen en mensen die wandelen. Afbeelding 2: Een drukke winkelstraat in een stad.
Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u liever uw vrije tijd door in de stad, in een park of in een winkelstraat? Vertel ook waarom.
Voorbeeldantwoorden:
- Ik breng mijn vrije tijd liever door in een park, want ik houd van rust en natuur.
- Ik breng mijn vrije tijd liever door in een winkelstraat, want ik houd van shoppen en mensen kijken.
- Ik ga graag naar een park om te wandelen, maar soms bezoek ik ook een winkelstraat om iets nieuws te kopen.