0:00
6:59

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #3

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Waarom leert u Nederlands en wat vindt u moeilijk aan de taal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik leer Nederlands voor mijn werk. Ik vind de grammatica erg moeilijk.
  • Ik leer Nederlands om in Nederland te wonen. De uitspraak vind ik het moeilijkst.
  • Ik leer Nederlands omdat ik de cultuur interessant vind. Het praten vind ik het moeilijkste.

2. Welk dier vindt u leuk of niet leuk, en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind katten niet leuk, want ik ben allergisch.
  • Ik vind honden erg leuk, want ze zijn trouw en gezellig.
  • Ik vind paarden mooie dieren. Ik houd van hun kracht.

3. Waar eet u het liefst en met wie eet u dan meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet het liefst thuis met mijn familie.
  • Ik eet het liefst in een restaurant met mijn vrienden.
  • Ik eet het liefst bij mijn ouders. Ik eet dan met mijn hele familie.

4. Hoe laat staat u op en wat is het eerste wat u doet?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta om 7 uur op. Ik drink dan eerst koffie.
  • Ik sta om half 7 op. Het eerste wat ik doe is douchen.
  • Ik sta om 8 uur op. Ik ontbijt dan meteen.

5. Wat heeft u kort geleden gekocht en waar heeft u dat gekocht?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb gisteren nieuwe schoenen gekocht in de stad.
  • Ik heb vorige week een boek gekocht bij de boekhandel.
  • Ik heb eergisteren boodschappen gedaan bij de supermarkt.

6. Wat doet u het liefst in het weekend en waarom vindt u dat fijn?

Voorbeeldantwoorden:

  • In het weekend slaap ik het liefst uit, want ik ben moe van de week.
  • Ik ga in het weekend graag naar buiten, wandelen in het park, want ik houd van de natuur.
  • Ik kijk het liefst films in het weekend, want ik vind dat ontspannend.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Boodschappen

Een man met veel boodschappentassen loopt uit een supermarkt.

Vraag: De man heeft boodschappen gedaan. Hoe doet u zelf boodschappen en waar doet u dat meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik doe mijn boodschappen met de auto. Ik ga meestal naar de Albert Heijn.
  • Ik doe mijn boodschappen met de fiets. Ik ga dan naar de Lidl.
  • Ik doe mijn boodschappen online. Ik bestel dan bij Picnic.

8. Avondactiviteiten

Afbeelding 1: Een persoon leest een boek op de bank. Afbeelding 2: Een persoon kijkt tv.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw avond door en hoe vaak doet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees het liefst een boek in de avond. Ik doe dat bijna elke avond.
  • Ik kijk het liefst televisie in de avond. Ik kijk dan naar series of films.
  • Ik wissel af. Soms lees ik, soms kijk ik tv, zo'n drie keer per week.

9. Kinderen spelen

Afbeelding 1: Een kind speelt buiten in een park. Afbeelding 2: Een kind speelt binnen met speelgoed.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar spelen kinderen volgens u het liefst, buiten of binnen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen spelen volgens mij het liefst buiten, want daar kunnen ze rennen en sporten.
  • Ik denk dat kinderen het liefst binnen spelen als het regent, dan spelen ze met speelgoed.
  • Ik denk dat kinderen een combinatie het leukst vinden. Buiten voor energie, binnen voor rust.

10. Werklocaties

Afbeelding 1: Een persoon heeft een koffie en laptop op een tafel in een café. Afbeelding 2: Een persoon zit thuis op de bank met een tablet.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar werkt u het liefst, in een café of thuis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik werk het liefst thuis, want daar is het rustig en kan ik me goed concentreren.
  • Ik werk het liefst in een café, want de sfeer is gezellig en ik zie andere mensen.
  • Ik werk liever niet in een café. Thuis werk ik het meest efficiënt.

11. Kok aan het koken

Een kok bereidt een maaltijd in een professionele keuken. Afbeelding 1: Hij snijdt groenten. Afbeelding 2: Hij roert in een pan. Afbeelding 3: Hij proeft het eten.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet deze kok allemaal tijdens het koken? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Hij snijdt groenten, roert in de pan en proeft het eten.
  • Deze kok is bezig met het bereiden van een maaltijd. Hij snijdt ingrediënten, kookt en proeft om de smaak te controleren.
  • Hij moet de groenten klein maken, het eten goed mengen en dan controleren of het lekker is.

12. Stadsactiviteiten

Afbeelding 1: Een stadspark met veel groen en mensen die wandelen. Afbeelding 2: Een drukke winkelstraat in een stad.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u liever uw vrije tijd door in de stad, in een park of in een winkelstraat? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd liever door in een park, want ik houd van rust en natuur.
  • Ik breng mijn vrije tijd liever door in een winkelstraat, want ik houd van shoppen en mensen kijken.
  • Ik ga graag naar een park om te wandelen, maar soms bezoek ik ook een winkelstraat om iets nieuws te kopen.