0:00
6:56

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #2

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u graag in uw vrije tijd en met wie?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga graag wandelen met mijn partner of vrienden.
  • Ik speel graag spelletjes thuis met mijn familie.
  • Ik sport het liefst alleen in de sportschool.

2. Wat is uw lievelingseten en waar eet u dat het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn lievelingseten is pasta. Ik eet dat graag thuis.
  • Ik houd van soep. Die eet ik het liefst in een restaurant.
  • Ik eet graag rijst met groenten. Dat maak ik vaak zelf.

3. Wat doet u meestal in het weekend?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik bezoek familie en doe boodschappen.
  • Ik maak een uitstapje naar een andere stad.
  • Ik blijf thuis en rust uit.

4. Hoe vaak ziet u uw familie of vrienden?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik zie mijn familie elke week.
  • Ik spreek mijn vrienden één keer per maand af.
  • Ik bel vaak met familie in het buitenland.

5. Waar doet u meestal boodschappen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga naar de supermarkt om de hoek.
  • Ik koop graag groenten en fruit op de markt.
  • Veel dingen bestel ik online.

6. Welke tv-programma's of online video's kijkt u graag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kijk graag nieuws en documentaires.
  • Ik houd van series en films.
  • Ik kijk korte video's over koken en taal.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Omgevallen boom

Een boom is omgevallen op de weg na een storm. Auto's staan stil en mensen kijken bezorgd.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan men het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De weg is geblokkeerd door een boom. Iemand moet de hulpdiensten bellen.
  • Het is gevaarlijk. Mensen moeten afstand houden en wachten op hulp.
  • De boom ligt op straat. Het beste is om een andere route te nemen en te melden.

8. Werken: thuis of kantoor

Afbeelding 1: Een persoon werkt thuis aan een laptop. Afbeelding 2: Een persoon werkt op kantoor met collega's.

Vraag: Waar werkt u het liefst, thuis of op kantoor? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik werk liever thuis, want het is rustig en ik bespaar reistijd.
  • Ik werk graag op kantoor, want ik zie collega's en kan beter samenwerken.
  • Ik doe beide, afhankelijk van de taken.

9. Timmerman

Afbeelding 1: Een timmerman meet hout met een rolmaat. Afbeelding 2: Hij zaagt een plank. Afbeelding 3: Hij monteert een kast.

Vraag: Wat doet een timmerman allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een timmerman meet, zaagt en monteert.
  • Eerst meten, daarna zagen en dan alles monteren.
  • Hout opmeten, planken zagen en meubels in elkaar zetten.

10. Communicatie: e-mail of bellen

Afbeelding 1: Iemand typt een e-mail op een laptop. Afbeelding 2: Iemand belt met een mobiele telefoon.

Vraag: Hoe maakt u het liefst een afspraak, via e-mail of door te bellen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik maak liever een afspraak via e-mail, dan heb ik alles zwart op wit.
  • Ik bel liever, dat gaat sneller en is persoonlijker.
  • Ik kies e-mail voor werk en bellen voor privé.

11. Koken thuis

Afbeelding 1: Iemand wast groenten in de gootsteen. Afbeelding 2: Iemand snijdt groenten op een plank. Afbeelding 3: Iemand kookt de groenten in een pan.

Vraag: Wat doet u allemaal als u thuis kookt? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik was de groenten, snijd ze en kook ze in een pan.
  • Eerst wassen, dan snijden en daarna koken.
  • Groenten schoonmaken, snijden en bereiden op het fornuis.

12. Reizen: trein of vliegtuig

Afbeelding 1: Een trein vertrekt van het station. Afbeelding 2: Een vliegtuig stijgt op vanaf de luchthaven.

Vraag: Hoe reist u het liefst over lange afstanden, met de trein of met het vliegtuig? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga liever met de trein, dat is comfortabel en ik zie het landschap.
  • Voor lange afstanden kies ik het vliegtuig, dat is sneller.
  • Het hangt af van de prijs en de tijd: soms trein, soms vliegtuig.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!