0:00
7:09

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #1

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u op een gewone werk- of schooldag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta vroeg op, ga naar mijn werk en kook daarna thuis het avondeten.
  • Ik ga naar school, maak huiswerk en kijk 's avonds tv.
  • Ik werk overdag en wandel na het werk een half uur buiten.

2. Wat eet u het liefst als ontbijt?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet het liefst brood met kaas en drink thee.
  • Ik neem yoghurt met fruit en muesli als ontbijt.
  • Soms sla ik het ontbijt over en drink ik alleen koffie.

3. Hoe gaat u meestal naar uw werk of school?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga met de fiets, dat is snel en gezond.
  • Ik reis met de bus of trein, dat is handig.
  • Ik ga met de auto, want mijn werk is ver weg.

4. Wat doet u thuis in het weekend?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik maak het huis schoon en kook iets lekkers.
  • Ik kijk films met mijn familie.
  • Ik lees boeken en bel met vrienden.

5. Hoe laat gaat u meestal naar bed en staat u op?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga om 23:00 naar bed en sta om 7:00 op.
  • Ik ga laat slapen in het weekend en sta later op.
  • Doordeweeks ga ik om 22:00 naar bed en sta ik om 6:30 op.

6. Welke muziek luistert u het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik luister het liefst naar popmuziek.
  • Ik houd van rustige, klassieke muziek.
  • Ik luister graag naar Nederlandse liedjes om te oefenen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapotte paraplu

Een persoon staat in de regen met een kapotte paraplu. Het waait hard en de paraplu is omgeklapt.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De paraplu is kapot. De persoon kan het beste schuilen en een nieuwe paraplu kopen.
  • Het regent hard en de paraplu werkt niet. Hij of zij kan beter een regenjas aantrekken.
  • De wind maakt de paraplu stuk. De persoon moet uit de regen gaan en later een nieuwe kopen.

8. Ontbijt: brood of yoghurt

Afbeelding 1: Brood met beleg op een bord. Afbeelding 2: Een kom yoghurt met fruit en muesli.

Vraag: Wat eet u het liefst als ontbijt, brood of yoghurt? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet liever brood, want dat vult goed.
  • Ik kies yoghurt, want dat is fris en gezond.
  • Ik eet soms brood en soms yoghurt, afhankelijk van mijn tijd.

9. Postbode

Afbeelding 1: Een postbode sorteert post in een depot. Afbeelding 2: Een postbode bezorgt brieven in een straat. Afbeelding 3: Een postbode scant een pakket bij de deur.

Vraag: Wat doet een postbode allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een postbode sorteert post, bezorgt brieven en scant pakketten.
  • Hij of zij verdeelt de post, brengt deze naar adressen en registreert pakketten.
  • Eerst sorteren, dan bezorgen en tot slot pakketten scannen bij de klant.

10. Reizen: trein of auto

Afbeelding 1: Een druk treinstation met reizigers. Afbeelding 2: Een auto op de snelweg met verkeer.

Vraag: Hoe reist u het liefst, met de trein of met de auto? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis liever met de trein, want ik kan lezen en ontspannen.
  • Ik ga graag met de auto, want dat is flexibel en snel.
  • Het hangt af van de afstand: korte afstanden met de auto, lange met de trein.

11. Speeltuin

Afbeelding 1: Kinderen schommelen. Afbeelding 2: Kinderen glijden van de glijbaan. Afbeelding 3: Kinderen klimmen op een klimrek.

Vraag: Wat doen kinderen allemaal in de speeltuin? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen schommelen, glijden en klimmen.
  • Ze spelen op de schommel, gaan van de glijbaan en klimmen op het rek.
  • In de speeltuin doen kinderen veel: schommelen, glijden en klimmen.

12. Wonen: appartement of huis

Afbeelding 1: Een appartement in een flat. Afbeelding 2: Een rijtjeshuis met een kleine tuin.

Vraag: Waar woont u liever, in een appartement of in een huis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een appartement, want dat is centraal en makkelijk.
  • Ik kies voor een huis met tuin, want ik houd van buiten zitten.
  • Ik vind allebei goed, maar een huis met een kleine tuin is mijn favoriet.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!