0:00
7:43

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #30

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Hoe ziet uw ochtendroutine eruit op werkdagen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta vroeg op, ontbijt en ga naar mijn werk.
  • Ik maak de kinderen klaar en breng ze naar school.
  • Ik neem een douche, drink koffie en vertrek.

2. Heeft u huisdieren? Hoe zorgt u voor hen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb een hond. Ik laat hem elke dag uit en geef eten.
  • Ik heb een kat. Ik geef eten en maak de kattenbak schoon.
  • Nee, ik heb geen huisdieren, maar ik pas soms op voor vrienden.

3. Wat is uw favoriete plek in uw stad of dorp en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het park, omdat ik daar kan wandelen.
  • De bibliotheek, omdat ik van lezen houd.
  • Het centrum, omdat daar veel te doen is.

4. Welke apps gebruikt u het meest op uw telefoon?

Voorbeeldantwoorden:

  • Berichten en kaart-apps voor communicatie en routes.
  • Een sport-app om mijn stappen te tellen.
  • Nieuws-apps om het nieuws te volgen.

5. Welke tip heeft u voor iemand die Nederlands wil leren?

Voorbeeldantwoorden:

  • Oefen elke dag een beetje en praat veel.
  • Kijk Nederlandse tv met ondertiteling.
  • Lees kinderboeken en herhaal nieuwe woorden.

6. Welke leraar of docent herinnert u zich goed en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn docent Nederlands, omdat hij geduldig was.
  • Mijn wiskundeleraar, omdat zij goed kon uitleggen.
  • Een sportleraar die mij gemotiveerd heeft.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Fiets met kapotte ketting

Een persoon staat naast een fiets met een ketting die van het tandwiel is gevallen.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De ketting is eraf. De persoon kan de ketting er weer op leggen.
  • De fiets werkt niet goed. Hij of zij kan een fietsenmaker zoeken.
  • De ketting is vies en los. Eerst handen schoonmaken en dan repareren of hulp vragen.

8. Studeren: laptop of boek

Afbeelding 1: Iemand typt op een laptop en maakt aantekeningen. Afbeelding 2: Iemand leest een dik studieboek met markeerstift.

Vraag: Hoe leert u het liefst, digitaal met laptop of met een boek? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Met een laptop, want ik kan snel zoeken en typen.
  • Met een boek, want ik onthoud beter als ik op papier lees.
  • Ik gebruik beide: laptop voor zoeken en boeken voor lezen.

9. Kapper

Afbeelding 1: De kapper knipt haar. Afbeelding 2: De kapper föhnt. Afbeelding 3: De kapper maakt schoon.

Vraag: Wat doet een kapper allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Knippen, föhnen en schoonmaken.
  • De kapper verzorgt het haar en houdt de salon netjes.
  • Eerst knippen, daarna föhnen en opruimen.

10. Boodschappen: supermarkt of markt

Afbeelding 1: Drukke supermarkt met volle schappen. Afbeelding 2: Markt met kraampjes en verse producten.

Vraag: Waar doet u het liefst boodschappen, in de supermarkt of op de markt? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • In de supermarkt, want alles is bij elkaar.
  • Op de markt, want de producten zijn vers en de sfeer is leuk.
  • Supermarkt voor basis, markt voor vers.

11. Muziekfestival

Afbeelding 1: Een band speelt op een podium. Afbeelding 2: Een zanger zingt. Afbeelding 3: Mensen dansen in het publiek.

Vraag: Wat doen mensen allemaal bij een muziekfestival? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Muziek spelen, zingen en dansen.
  • Artiesten treden op en mensen dansen mee.
  • Er is live muziek en het publiek geniet en danst.

12. Vakantie: camping of appartement

Afbeelding 1: Een tent op een camping in de natuur. Afbeelding 2: Een appartement met balkon in een kustplaats.

Vraag: Welke vakantie kiest u liever, kamperen of een appartement? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kamperen voor natuur en vrijheid.
  • Appartement voor comfort en gemak.
  • Beide, afhankelijk van het weer en het budget.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!