← Alle examens

Alle A2 Spreekvaardigheid Examens

Alle examens in één document voor eenvoudig printen

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #1

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u op een gewone werk- of schooldag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta vroeg op, ga naar mijn werk en kook daarna thuis het avondeten.
  • Ik ga naar school, maak huiswerk en kijk 's avonds tv.
  • Ik werk overdag en wandel na het werk een half uur buiten.

2. Wat eet u het liefst als ontbijt?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet het liefst brood met kaas en drink thee.
  • Ik neem yoghurt met fruit en muesli als ontbijt.
  • Soms sla ik het ontbijt over en drink ik alleen koffie.

3. Hoe gaat u meestal naar uw werk of school?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga met de fiets, dat is snel en gezond.
  • Ik reis met de bus of trein, dat is handig.
  • Ik ga met de auto, want mijn werk is ver weg.

4. Wat doet u thuis in het weekend?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik maak het huis schoon en kook iets lekkers.
  • Ik kijk films met mijn familie.
  • Ik lees boeken en bel met vrienden.

5. Hoe laat gaat u meestal naar bed en staat u op?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga om 23:00 naar bed en sta om 7:00 op.
  • Ik ga laat slapen in het weekend en sta later op.
  • Doordeweeks ga ik om 22:00 naar bed en sta ik om 6:30 op.

6. Welke muziek luistert u het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik luister het liefst naar popmuziek.
  • Ik houd van rustige, klassieke muziek.
  • Ik luister graag naar Nederlandse liedjes om te oefenen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapotte paraplu

Een persoon staat in de regen met een kapotte paraplu. Het waait hard en de paraplu is omgeklapt.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De paraplu is kapot. De persoon kan het beste schuilen en een nieuwe paraplu kopen.
  • Het regent hard en de paraplu werkt niet. Hij of zij kan beter een regenjas aantrekken.
  • De wind maakt de paraplu stuk. De persoon moet uit de regen gaan en later een nieuwe kopen.

8. Ontbijt: brood of yoghurt

Afbeelding 1: Brood met beleg op een bord. Afbeelding 2: Een kom yoghurt met fruit en muesli.

Vraag: Wat eet u het liefst als ontbijt, brood of yoghurt? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet liever brood, want dat vult goed.
  • Ik kies yoghurt, want dat is fris en gezond.
  • Ik eet soms brood en soms yoghurt, afhankelijk van mijn tijd.

9. Postbode

Afbeelding 1: Een postbode sorteert post in een depot. Afbeelding 2: Een postbode bezorgt brieven in een straat. Afbeelding 3: Een postbode scant een pakket bij de deur.

Vraag: Wat doet een postbode allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een postbode sorteert post, bezorgt brieven en scant pakketten.
  • Hij of zij verdeelt de post, brengt deze naar adressen en registreert pakketten.
  • Eerst sorteren, dan bezorgen en tot slot pakketten scannen bij de klant.

10. Reizen: trein of auto

Afbeelding 1: Een druk treinstation met reizigers. Afbeelding 2: Een auto op de snelweg met verkeer.

Vraag: Hoe reist u het liefst, met de trein of met de auto? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis liever met de trein, want ik kan lezen en ontspannen.
  • Ik ga graag met de auto, want dat is flexibel en snel.
  • Het hangt af van de afstand: korte afstanden met de auto, lange met de trein.

11. Speeltuin

Afbeelding 1: Kinderen schommelen. Afbeelding 2: Kinderen glijden van de glijbaan. Afbeelding 3: Kinderen klimmen op een klimrek.

Vraag: Wat doen kinderen allemaal in de speeltuin? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen schommelen, glijden en klimmen.
  • Ze spelen op de schommel, gaan van de glijbaan en klimmen op het rek.
  • In de speeltuin doen kinderen veel: schommelen, glijden en klimmen.

12. Wonen: appartement of huis

Afbeelding 1: Een appartement in een flat. Afbeelding 2: Een rijtjeshuis met een kleine tuin.

Vraag: Waar woont u liever, in een appartement of in een huis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een appartement, want dat is centraal en makkelijk.
  • Ik kies voor een huis met tuin, want ik houd van buiten zitten.
  • Ik vind allebei goed, maar een huis met een kleine tuin is mijn favoriet.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #2

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u graag in uw vrije tijd en met wie?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga graag wandelen met mijn partner of vrienden.
  • Ik speel graag spelletjes thuis met mijn familie.
  • Ik sport het liefst alleen in de sportschool.

2. Wat is uw lievelingseten en waar eet u dat het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn lievelingseten is pasta. Ik eet dat graag thuis.
  • Ik houd van soep. Die eet ik het liefst in een restaurant.
  • Ik eet graag rijst met groenten. Dat maak ik vaak zelf.

3. Wat doet u meestal in het weekend?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik bezoek familie en doe boodschappen.
  • Ik maak een uitstapje naar een andere stad.
  • Ik blijf thuis en rust uit.

4. Hoe vaak ziet u uw familie of vrienden?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik zie mijn familie elke week.
  • Ik spreek mijn vrienden één keer per maand af.
  • Ik bel vaak met familie in het buitenland.

5. Waar doet u meestal boodschappen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga naar de supermarkt om de hoek.
  • Ik koop graag groenten en fruit op de markt.
  • Veel dingen bestel ik online.

6. Welke tv-programma's of online video's kijkt u graag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kijk graag nieuws en documentaires.
  • Ik houd van series en films.
  • Ik kijk korte video's over koken en taal.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Omgevallen boom

Een boom is omgevallen op de weg na een storm. Auto's staan stil en mensen kijken bezorgd.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan men het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De weg is geblokkeerd door een boom. Iemand moet de hulpdiensten bellen.
  • Het is gevaarlijk. Mensen moeten afstand houden en wachten op hulp.
  • De boom ligt op straat. Het beste is om een andere route te nemen en te melden.

8. Werken: thuis of kantoor

Afbeelding 1: Een persoon werkt thuis aan een laptop. Afbeelding 2: Een persoon werkt op kantoor met collega's.

Vraag: Waar werkt u het liefst, thuis of op kantoor? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik werk liever thuis, want het is rustig en ik bespaar reistijd.
  • Ik werk graag op kantoor, want ik zie collega's en kan beter samenwerken.
  • Ik doe beide, afhankelijk van de taken.

9. Timmerman

Afbeelding 1: Een timmerman meet hout met een rolmaat. Afbeelding 2: Hij zaagt een plank. Afbeelding 3: Hij monteert een kast.

Vraag: Wat doet een timmerman allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een timmerman meet, zaagt en monteert.
  • Eerst meten, daarna zagen en dan alles monteren.
  • Hout opmeten, planken zagen en meubels in elkaar zetten.

10. Communicatie: e-mail of bellen

Afbeelding 1: Iemand typt een e-mail op een laptop. Afbeelding 2: Iemand belt met een mobiele telefoon.

Vraag: Hoe maakt u het liefst een afspraak, via e-mail of door te bellen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik maak liever een afspraak via e-mail, dan heb ik alles zwart op wit.
  • Ik bel liever, dat gaat sneller en is persoonlijker.
  • Ik kies e-mail voor werk en bellen voor privé.

11. Koken thuis

Afbeelding 1: Iemand wast groenten in de gootsteen. Afbeelding 2: Iemand snijdt groenten op een plank. Afbeelding 3: Iemand kookt de groenten in een pan.

Vraag: Wat doet u allemaal als u thuis kookt? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik was de groenten, snijd ze en kook ze in een pan.
  • Eerst wassen, dan snijden en daarna koken.
  • Groenten schoonmaken, snijden en bereiden op het fornuis.

12. Reizen: trein of vliegtuig

Afbeelding 1: Een trein vertrekt van het station. Afbeelding 2: Een vliegtuig stijgt op vanaf de luchthaven.

Vraag: Hoe reist u het liefst over lange afstanden, met de trein of met het vliegtuig? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga liever met de trein, dat is comfortabel en ik zie het landschap.
  • Voor lange afstanden kies ik het vliegtuig, dat is sneller.
  • Het hangt af van de prijs en de tijd: soms trein, soms vliegtuig.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #3

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Waarom leert u Nederlands en wat vindt u moeilijk aan de taal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik leer Nederlands voor mijn werk. Ik vind de grammatica erg moeilijk.
  • Ik leer Nederlands om in Nederland te wonen. De uitspraak vind ik het moeilijkst.
  • Ik leer Nederlands omdat ik de cultuur interessant vind. Het praten vind ik het moeilijkste.

2. Welk dier vindt u leuk of niet leuk, en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind katten niet leuk, want ik ben allergisch.
  • Ik vind honden erg leuk, want ze zijn trouw en gezellig.
  • Ik vind paarden mooie dieren. Ik houd van hun kracht.

3. Waar eet u het liefst en met wie eet u dan meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet het liefst thuis met mijn familie.
  • Ik eet het liefst in een restaurant met mijn vrienden.
  • Ik eet het liefst bij mijn ouders. Ik eet dan met mijn hele familie.

4. Hoe laat staat u op en wat is het eerste wat u doet?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta om 7 uur op. Ik drink dan eerst koffie.
  • Ik sta om half 7 op. Het eerste wat ik doe is douchen.
  • Ik sta om 8 uur op. Ik ontbijt dan meteen.

5. Wat heeft u kort geleden gekocht en waar heeft u dat gekocht?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb gisteren nieuwe schoenen gekocht in de stad.
  • Ik heb vorige week een boek gekocht bij de boekhandel.
  • Ik heb eergisteren boodschappen gedaan bij de supermarkt.

6. Wat doet u het liefst in het weekend en waarom vindt u dat fijn?

Voorbeeldantwoorden:

  • In het weekend slaap ik het liefst uit, want ik ben moe van de week.
  • Ik ga in het weekend graag naar buiten, wandelen in het park, want ik houd van de natuur.
  • Ik kijk het liefst films in het weekend, want ik vind dat ontspannend.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Boodschappen

Een man met veel boodschappentassen loopt uit een supermarkt.

Vraag: De man heeft boodschappen gedaan. Hoe doet u zelf boodschappen en waar doet u dat meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik doe mijn boodschappen met de auto. Ik ga meestal naar de Albert Heijn.
  • Ik doe mijn boodschappen met de fiets. Ik ga dan naar de Lidl.
  • Ik doe mijn boodschappen online. Ik bestel dan bij Picnic.

8. Avondactiviteiten

Afbeelding 1: Een persoon leest een boek op de bank. Afbeelding 2: Een persoon kijkt tv.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw avond door en hoe vaak doet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees het liefst een boek in de avond. Ik doe dat bijna elke avond.
  • Ik kijk het liefst televisie in de avond. Ik kijk dan naar series of films.
  • Ik wissel af. Soms lees ik, soms kijk ik tv, zo'n drie keer per week.

9. Kinderen spelen

Afbeelding 1: Een kind speelt buiten in een park. Afbeelding 2: Een kind speelt binnen met speelgoed.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar spelen kinderen volgens u het liefst, buiten of binnen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen spelen volgens mij het liefst buiten, want daar kunnen ze rennen en sporten.
  • Ik denk dat kinderen het liefst binnen spelen als het regent, dan spelen ze met speelgoed.
  • Ik denk dat kinderen een combinatie het leukst vinden. Buiten voor energie, binnen voor rust.

10. Werklocaties

Afbeelding 1: Een persoon heeft een koffie en laptop op een tafel in een café. Afbeelding 2: Een persoon zit thuis op de bank met een tablet.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar werkt u het liefst, in een café of thuis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik werk het liefst thuis, want daar is het rustig en kan ik me goed concentreren.
  • Ik werk het liefst in een café, want de sfeer is gezellig en ik zie andere mensen.
  • Ik werk liever niet in een café. Thuis werk ik het meest efficiënt.

11. Kok aan het koken

Een kok bereidt een maaltijd in een professionele keuken. Afbeelding 1: Hij snijdt groenten. Afbeelding 2: Hij roert in een pan. Afbeelding 3: Hij proeft het eten.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet deze kok allemaal tijdens het koken? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Hij snijdt groenten, roert in de pan en proeft het eten.
  • Deze kok is bezig met het bereiden van een maaltijd. Hij snijdt ingrediënten, kookt en proeft om de smaak te controleren.
  • Hij moet de groenten klein maken, het eten goed mengen en dan controleren of het lekker is.

12. Stadsactiviteiten

Afbeelding 1: Een stadspark met veel groen en mensen die wandelen. Afbeelding 2: Een drukke winkelstraat in een stad.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u liever uw vrije tijd door in de stad, in een park of in een winkelstraat? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd liever door in een park, want ik houd van rust en natuur.
  • Ik breng mijn vrije tijd liever door in een winkelstraat, want ik houd van shoppen en mensen kijken.
  • Ik ga graag naar een park om te wandelen, maar soms bezoek ik ook een winkelstraat om iets nieuws te kopen.

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #4

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Hoe heeft u uw huis ingericht? Vertel ook waarom u dat zo heeft gedaan

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb mijn huis modern ingericht. Ik hou van strakke lijnen en weinig spullen.
  • Ik heb mijn huis klassiek ingericht. Ik houd van oude meubels en warme kleuren.
  • Mijn huis is heel praktisch ingericht. Ik heb niet veel tijd voor decoratie, dus het moet makkelijk zijn.

2. Wat is uw ideale plaats om te wonen? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn ideale plaats is Amsterdam. Ik houd van de levendige sfeer en de grachten.
  • Ik wil graag in een rustig dorp wonen, want ik houd van de natuur en stilte.
  • Mijn ideale plek is een stad aan zee, want ik houd van de combinatie van strand en stad.

3. Bent u ook wel eens boos? In welke situaties bent u boos

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik ben wel eens boos. Ik word boos als mensen liegen.
  • Ik ben zelden boos, maar als ik boos ben, is dat vaak in het verkeer.
  • Ik word boos als ik veel moet betalen voor iets dat niet goed is.

4. Wat weet u van de Nederlandse basisschool

Voorbeeldantwoorden:

  • De basisschool is voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Ze gaan er zonder uniform naartoe.
  • Ik weet dat kinderen vanaf 4 jaar naar de basisschool gaan. Jongens en meisjes zitten samen in één klas.
  • De Nederlandse basisschool begint op 4 jaar. Ze leren er lezen, schrijven en rekenen.

5. Reist u vaak met de bus? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik reis vaak met de bus, want dat is snel en makkelijk.
  • Nee, ik reis niet vaak met de bus. Ik reis liever met de fiets.
  • Ik reis soms met de bus als ik naar het centrum moet, want parkeren is duur.

6. Wat vindt u beter in uw eigen land dan in Nederland? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind het klimaat in mijn eigen land beter, want ik houd van zon en warmte.
  • De keuken in mijn eigen land is veel beter dan in Nederland, omdat het eten gevarieerder is.
  • Ik vind de gastvrijheid in mijn eigen land beter, mensen zijn daar warmer.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Fietsen naar werk

Een man fietst naar zijn werk in de regen met een paraplu.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Hoe reist Henk naar zijn werk en wat doet hij tegen de regen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Hij fietst naar zijn werk. Hij gebruikt een paraplu.
  • Henk is onderweg met de fiets. Hij beschermt zich tegen de regen met een paraplu.
  • Hij fietst en heeft een paraplu vast, waarschijnlijk omdat het regent.

8. Uit eten

Afbeelding 1: Een typische Nederlandse snackbar met friet en snacks. Afbeelding 2: Een chique restaurant met tafels gedekt voor het diner.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar gaat u liever uit eten, in een snackbar of in een restaurant? Vertel ook hoe vaak u daar naartoe gaat.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga liever naar een restaurant. Ik ga één keer per maand.
  • Ik ga liever naar een snackbar. Ik ga ongeveer twee keer per maand.
  • Ik ga soms naar een snackbar en soms naar een restaurant, misschien twee keer per maand.

9. Koffie op laptop

Een vrouw kijkt geschrokken naar haar laptop, waar een kop koffie overheen is gevallen op het toetsenbord.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Paula heeft een computer. Wat is het probleem en wat kan zij volgens u het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de koffie op haar toetsenbord is gevallen. Ze moet een nieuw toetsenbord kopen.
  • Haar laptop is nat geworden door de koffie. Ze moet de computer uitzetten en schoonmaken, of naar de reparateur brengen.
  • Er zit koffie op haar computer. Ze kan het beste de computer uitdoen en laten drogen, of een expert om hulp vragen.

10. 5 december (Sinterklaas)

Afbeelding 1: Een kinderhand ontvangt een cadeautje in een schoen op 5 december. Afbeelding 2: Een groep mensen zingt liedjes en eet pepernoten.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Het is 5 december. Wat doen veel Nederlanders op deze dag en wat doet u zelf op 5 december?

Voorbeeldantwoorden:

  • Nederlanders geven elkaar cadeaus. Ik doe niet mee met Sinterklaas.
  • Op 5 december vieren veel Nederlanders Sinterklaas. Ze zingen liedjes en eten lekkernijen. Ik vier het met mijn kinderen.
  • Mensen zetten hun schoen en krijgen cadeautjes. Ik vier het niet, want ik ben geen Nederlander.

11. Droomhuis

Een vrouw kijkt naar een droomhuis: een grote, moderne villa met een zwembad en een tuin.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Marleen droomt over een nieuw huis. Over wat voor soort huis droomt zij volgens u en is zo'n huis duur of goedkoop?

Voorbeeldantwoorden:

  • Zij droomt over een grote villa. Zo'n huis is erg duur.
  • Marleen droomt van een luxe huis met een zwembad. Dit is waarschijnlijk een heel duur huis.
  • Ze droomt van een grote, moderne villa met een tuin. Zulk huis is heel duur.

12. Huishouden

Afbeelding 1: Een vrouw veegt de vloer. Afbeelding 2: Een vrouw maakt de wc schoon. Afbeelding 3: Een vrouw wast de ramen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Priscilla maakt haar huis schoon. Vertel wat zij allemaal doet.

Voorbeeldantwoorden:

  • Zij maakt de vloer schoon. Zij maakt de wc schoon. Zij maakt ook de ramen schoon.
  • Priscilla is bezig met het huishouden. Ze veegt de vloer, poetst het toilet en wast de ramen.
  • Ze veegt, poetst de wc en wast de ramen om haar huis schoon te maken.

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #5

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Naar welke muziek luistert u graag en hoe vaak luistert u daar naar?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik luister elke dag naar popmuziek, meestal als ik aan het werk ben.
  • Ik luister graag naar klassieke muziek. Ik luister ongeveer twee keer per week.
  • Ik luister naar Turkse muziek. Ik luister elke dag naar de radio in mijn auto.

2. Wat is uw favoriete gerecht en kunt u vertellen hoe u het klaarmaakt?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete gerecht is pasta. Ik maak het met tomatensaus en veel groenten.
  • Ik eet graag rijst met kip. Ik bak de kip en kook de rijst met kruiden.
  • Ik houd van soep. Ik maak groentesoep met verse ingrediënten, dat is makkelijk.

3. Wat doet u het liefst als u uitgaat, naar een café, restaurant of bioscoop? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga het liefst naar een restaurant, want ik houd van lekker eten en gezelligheid.
  • Ik ga het liefst naar de bioscoop, want ik houd van films kijken.
  • Ik ga graag naar een café met vrienden, want ik vind het leuk om te praten en een drankje te drinken.

4. Hoe reist u meestal naar uw werk of school en hoe lang duurt de reis?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis meestal met de fiets naar mijn werk. Dat duurt ongeveer 15 minuten.
  • Ik ga met de bus naar school. De reis duurt ongeveer een half uur.
  • Ik rijd met de auto naar mijn werk. De reis duurt ongeveer 20 minuten.

5. Wat vindt u makkelijk of moeilijk aan het leren van Nederlands en wat helpt u daarbij?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de grammatica moeilijk. Veel lezen helpt mij.
  • De uitspraak is moeilijk voor mij. Ik kijk veel Nederlandse televisieprogramma's om te oefenen.
  • Ik vind het makkelijk om nieuwe woorden te leren. Het spreken is soms nog moeilijk, maar ik probeer veel te praten.

6. Waarheen gaat u het liefst op vakantie en wat doet u dan het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga graag naar de bergen. Ik houd van wandelen in de natuur.
  • Ik ga het liefst naar een warm land aan zee. Ik houd van zwemmen en zonnen.
  • Ik ga graag naar een grote stad. Ik houd van musea bezoeken en winkelen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Tuinieren

Een vrouw is in de tuin. Ze draagt tuinhandschoenen en gebruikt een kleine schep om bloemen te planten.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat doet zij en heeft u zelf ook een tuin?

Voorbeeldantwoorden:

  • Zij plant bloemen in de tuin. Ja, ik heb zelf ook een tuin.
  • Zij is aan het tuinieren. Nee, ik heb geen tuin, ik woon in een flat.
  • Deze vrouw werkt in de tuin. Ik heb een kleine tuin waar ik ook graag in werk.

8. Vrije tijd kinderen

Afbeelding 1: Een meisje leest een sprookjesboek op haar bed. Afbeelding 2: Een jongen speelt een computerspel op een console.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengen kinderen volgens u liever hun vrije tijd door, met lezen of met spelletjes spelen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik denk dat veel kinderen liever spelletjes spelen, want dat is actiever.
  • Volgens mij lezen kinderen liever, want verhalen zijn leuk en ze leren er veel van.
  • Ik denk dat het afhangt van het kind. Sommige kinderen houden van lezen, andere van spelletjes.

9. Markt

Afbeelding 1: Een marktkoopman verkoopt fruit op een levendige markt. Afbeelding 2: Klanten bekijken verse groenten. Afbeelding 3: Een vrouw kiest bloemen uit een grote selectie.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat zien we op deze markt en wat koopt u zelf het liefst op de markt?

Voorbeeldantwoorden:

  • We zien fruit, groenten en bloemen. Ik koop het liefst fruit op de markt.
  • Op de markt zijn verkopers en klanten. Ik koop graag groenten en bloemen.
  • Er worden verse producten verkocht. Ik koop het liefst verse kruiden en vis op de markt.

10. Wasmachine lekt

Een persoon kijkt gefrustreerd naar een wasmachine die lekt en water op de vloer spuit.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de wasmachine lekt. De persoon moet de stekker eruit trekken en een monteur bellen.
  • De wasmachine is kapot en er komt water uit. Ze moet de kraan dichtdraaien en iemand om hulp vragen.
  • Er is een lekkage bij de wasmachine. Het beste is om de watertoevoer af te sluiten en een specialist te zoeken.

11. Studeren

Afbeelding 1: Een man zit met een laptop, boeken en notities aan een bureau. Afbeelding 2: Een vrouw zit in een collegezaal met een pen en papier. Afbeelding 3: Een groep mensen bespreekt iets rond een whiteboard.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke dingen gebruikt u als u studeert of leert, en studeert u liever alleen of in een groep?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik een laptop en boeken. Ik studeer liever alleen.
  • Ik gebruik pen en papier om aantekeningen te maken. Ik leer het liefst in een groep.
  • Ik gebruik mijn laptop en schrijf notities. Ik studeer soms alleen en soms met anderen.

12. Vakantie

Afbeelding 1: Mensen relaxen op een zonnig strand met parasols. Afbeelding 2: Toeristen bezoeken een historisch museum met kunstwerken. Afbeelding 3: Een groep vrienden geniet van een picknick in een park.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vakantie door? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vakantie het liefst door op het strand. Ik ga ook graag naar een museum.
  • Ik relax graag op het strand, bezoek een museum of ga picknicken in het park met vrienden.
  • Ik houd van afwisseling. Ik ga graag naar het strand, maar ook naar culturele plekken en de natuur.

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #6

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in uw vrije tijd en waarom vindt u dat leuk?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kijk graag films, want dat is ontspannend.
  • Ik lees graag boeken, want ik leer dan veel.
  • Ik sport graag, want ik wil fit blijven.

2. Waar woont u nu en wat vindt u het leukste aan die plaats?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon in Utrecht. Ik vind de grachten het leukst.
  • Ik woon in een dorp. Ik vind de rust daar fijn.
  • Ik woon in Amsterdam. De musea zijn het leukst.

3. Wat is de mooiste stad waar u geweest bent en wat heeft u daar gedaan?

Voorbeeldantwoorden:

  • Parijs is de mooiste stad. Ik heb daar de Eiffeltoren gezien.
  • Rome is erg mooi. Ik heb veel oude gebouwen bezocht.
  • Ik vond Istanbul heel mooi. Ik heb er heerlijk gegeten.

4. Werkt u of studeert u? Wat doet u precies en hoe lang?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik werk. Ik ben verkoper en ik werk al 5 jaar.
  • Ik studeer Nederlands. Ik studeer al 1 jaar.
  • Ik werk als kok. Ik doe dat al 10 jaar.

5. Hoe laat begint uw dag en wat is het eerste wat u 's ochtends doet?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn dag begint om 7 uur. Ik drink dan thee.
  • Ik sta om half 8 op. Ik poets eerst mijn tanden.
  • Mijn dag begint om 6 uur. Ik ga dan sporten.

6. Welk eten vindt u lekker en welk eten vindt u minder lekker?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind pasta heel lekker, maar ik houd niet zo van vis.
  • Ik eet graag kip. Ik vind spruitjes niet lekker.
  • Ik houd van pizza. Ik vind kaas niet lekker.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Hardlopen

Een vrouw rent buiten in een park, luisterend naar muziek met oordopjes in.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Welke sport doet zij en hoe vaak doet zij dat volgens u?

Voorbeeldantwoorden:

  • Zij rent in het park. Ik denk dat zij twee keer per week rent.
  • Zij is aan het hardlopen. Zij doet dat waarschijnlijk vaak, misschien elke dag.
  • Zij sport buiten. Ik denk dat ze minstens drie keer per week hardloopt.

8. Wonen

Afbeelding 1: Een moderne flat in een stad. Afbeelding 2: Een vrijstaand huis met een grote tuin.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. In welk huis woont u liever, in een flat of in een vrijstaand huis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een flat, want dat is makkelijk schoon te maken.
  • Ik woon liever in een vrijstaand huis, want ik wil graag een grote tuin hebben.
  • Ik kies voor een vrijstaand huis. Ik wil privacy en veel ruimte.

9. Bibliotheek

Afbeelding 1: Een student leest een boek aan een tafel in een bibliotheek. Afbeelding 2: Een andere student werkt op een laptop aan een studie. Afbeelding 3: Twee mensen bespreken iets bij een boekenrek.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen deze mensen allemaal in de bibliotheek? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ze lezen boeken, werken op een laptop en praten over hun studie.
  • Mensen zijn in de bibliotheek om te studeren. Ze lezen, werken op de computer en bespreken dingen.
  • Ze lezen, gebruiken een laptop en overleggen met elkaar.

10. Lekkende kraan

Een lekkende kraan in een keuken, met water dat op het aanrecht druppelt en een emmer die eronder staat.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem en wat kan de persoon volgens u het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De kraan lekt. De persoon moet een loodgieter bellen.
  • Er komt water uit de kraan. Hij of zij kan de kraan dichtdraaien en proberen het te repareren.
  • Het water stroomt uit de kraan. Ze moeten de hoofdkraan dichtzetten en om hulp vragen.

11. Maaltijd bereiden

Een vrouw bereidt een feestmaaltijd. Afbeelding 1: Zij snijdt veel groenten. Afbeelding 2: Zij bakt vis in een grote pan. Afbeelding 3: Zij schikt het eten mooi op borden.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet deze vrouw om een maaltijd klaar te maken? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Zij snijdt groenten. Zij bakt vis. Zij serveert het eten.
  • Deze vrouw snijdt groenten, bakt vis en maakt de borden mooi op.
  • Ze maakt een maaltijd. Eerst snijdt ze groenten, dan bakt ze vis en daarna legt ze het op de borden.

12. Lange reis

Afbeelding 1: Een vliegtuig in de lucht. Afbeelding 2: Een hogesnelheidstrein op het spoor. Afbeelding 3: Een auto op een snelweg.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. U gaat op een lange reis. Met welk vervoermiddel reist u het liefst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis het liefst met het vliegtuig, want dat is het snelst.
  • Ik reis het liefst met de trein, want ik kan dan werken of lezen.
  • Ik reis het liefst met de auto, want dan ben ik flexibel en kan ik stoppen waar ik wil.

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #7

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Heeft u huisdieren? Welk dier heeft u of zou u graag willen hebben?

Voorbeeldantwoorden:

  • Nee, ik heb geen huisdieren. Ik zou graag een kat willen hebben, want katten zijn lief.
  • Ja, ik heb een hond. Hij heet Max en hij is heel speels.
  • Nee, ik heb geen huisdieren, want ik heb geen tijd om voor ze te zorgen.

2. Welk seizoen vindt u het prettigst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de zomer het prettigst, want het is dan lekker warm en zonnig.
  • Ik vind de lente het prettigst, want dan bloeien alle bloemen en wordt het warmer.
  • Ik vind de herfst prettig, want de kleuren van de bladeren zijn mooi en het is niet te heet.

3. Heeft u een rijbewijs? Vertel ook waarom u wel of geen rijbewijs heeft

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb een rijbewijs. Ik vind het fijn, want ik kan overal naartoe rijden.
  • Nee, ik heb geen rijbewijs. Ik reis liever met het openbaar vervoer, dat is milieuvriendelijker.
  • Ja, ik heb een rijbewijs. Ik gebruik mijn auto elke dag voor mijn werk.

4. Wat doet u om fit te blijven en hoe vaak doet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga twee keer per week naar de sportschool. Daar doe ik krachttraining.
  • Ik wandel elke dag een uur in het park. Dat helpt mij om fit te blijven.
  • Ik zwem drie keer per week. Ik vind zwemmen ontspannend en goed voor mijn conditie.

5. Wat is uw favoriete drankje en drinkt u dat elke dag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete drankje is water. Ja, ik drink elke dag veel water.
  • Ik houd van koffie. Ja, ik drink elke ochtend twee koppen koffie.
  • Mijn favoriete drankje is thee. Nee, ik drink niet elke dag thee, soms ook sap.

6. Wat vindt u het leukste aan Nederland?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de fietscultuur in Nederland het leukst. Overal kan ik fietsen.
  • De tolerantie en de openheid van de mensen vind ik het leukste aan Nederland.
  • Ik vind de architectuur en de grachten in de steden het leukst aan Nederland.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Bushalte in regen

Een persoon staat bij een bushalte met een paraplu, kijkend naar de regen die valt.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Deze persoon staat bij een bushalte. Wat is het weer en wat doet de persoon?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het regent. De persoon gebruikt een paraplu.
  • Het is slecht weer, het regent hard. De persoon wacht op de bus met een paraplu.
  • Het weer is regenachtig. De persoon beschermt zich tegen de regen met een paraplu.

8. Dag beginnen

Afbeelding 1: Een persoon geniet van een kop koffie in een gezellig café. Afbeelding 2: Een persoon leest een krant thuis op de bank.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe begint u het liefst uw dag, met koffie in een café of rustig thuis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik begin mijn dag het liefst rustig thuis met een kop koffie en de krant. Dan kan ik rustig wakker worden.
  • Ik begin mijn dag het liefst in een café. Ik vind het leuk om mensen te zien en de sfeer is gezellig.
  • Ik begin mijn dag thuis met koffie. Ik hoef dan niet naar buiten.

9. Speeltuin

Afbeelding 1: Een kind speelt in een zandbak. Afbeelding 2: Een kind schommelt. Afbeelding 3: Een kind glijdt van een glijbaan.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen kinderen in de speeltuin? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen spelen in de zandbak, schommelen en glijden van de glijbaan.
  • Ze zijn in de speeltuin. Ze graven in het zand, schommelen heen en weer en glijden naar beneden.
  • Op de speeltuin zien we kinderen spelen in het zand, schommelen en van de glijbaan afgaan.

10. Lekke band

Een man kijkt bezorgd naar een lekke band van zijn fiets, die hij aan de kant van de weg vasthoudt.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Deze man is onderweg met zijn fiets. Wat is het probleem en wat moet hij nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is een lekke band. Hij moet zijn fiets naar huis duwen en de band plakken.
  • Zijn band is lek. Hij moet de fiets repareren of naar de fietsenmaker brengen.
  • De fietsband is plat. Hij kan het beste de fiets laten maken.

11. Winkelen

Afbeelding 1: Een vrouw koopt kleding in een kledingwinkel. Afbeelding 2: Een man koopt boodschappen in een supermarkt. Afbeelding 3: Een persoon koopt een boek in een boekwinkel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke dingen koopt u het liefst als u gaat winkelen? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop het liefst boeken. Ik ga graag naar de boekwinkel.
  • Ik koop het liefst kleding. Ik koop ook vaak boodschappen in de supermarkt.
  • Als ik ga winkelen, koop ik het liefst kleding of boeken. Boodschappen doe ik minder graag.

12. Vrije tijd met anderen

Afbeelding 1: Een groep vrienden zit gezellig op een terras te praten en te lachen. Afbeelding 2: Een familie viert een verjaardag met taart en cadeaus. Afbeelding 3: Een stel kijkt samen een film in de bioscoop.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vrije tijd door met vrienden of familie? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door met vrienden op een terras. Dat is gezellig.
  • Ik vier het liefst verjaardagen met mijn familie. We eten dan taart en praten veel.
  • Ik ga graag met mijn partner naar de bioscoop. Maar ik vind het ook fijn om met vrienden iets te drinken.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #8

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat is uw favoriete kleur en waarom vindt u die kleur mooi?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete kleur is blauw, want het is de kleur van de zee en de lucht.
  • Ik houd van groen, omdat het de kleur van de natuur is en het rust geeft.
  • Rood is mijn favoriete kleur, want het is een energieke en vrolijke kleur.

2. Welke vervoersmiddelen gebruikt u dagelijks en welk vervoermiddel vindt u het handigst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik de fiets elke dag, dat is het handigst in de stad.
  • Ik ga meestal met de auto. Dat is het handigst omdat ik ver van mijn werk woon.
  • Ik neem de bus en de metro. De metro is het handigst omdat hij snel is.

3. Mist u iets aan uw geboorteland? Wat is dat en waarom mist u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik mis de zon en het warme weer, want ik houd niet van de kou.
  • Ik mis mijn familie en vrienden, omdat ik ze niet vaak kan zien.
  • Ik mis het eten uit mijn geboorteland, want de smaak is anders hier.

4. Kookt u vaak thuis of eet u liever buiten de deur? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kook vaak thuis, want dat is goedkoper en gezonder.
  • Ik eet liever buiten de deur, want ik houd van nieuwe restaurants ontdekken.
  • Ik kook meestal thuis, maar in het weekend eten we soms buiten de deur voor de afwisseling.

5. Welke Nederlandse gewoonte vindt u bijzonder of leuk?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de fietscultuur bijzonder. Iedereen fietst hier, dat is leuk.
  • Ik vind het leuk dat Nederlanders hun verjaardag vieren met taart en koffie.
  • De directheid van Nederlanders vind ik bijzonder. Ze zeggen wat ze denken.

6. Wat is uw favoriete soort film of serie en kijkt u daar vaak naar?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik houd van actiefilms. Ik kijk vaak in het weekend naar een film.
  • Mijn favoriete soort serie is een misdaadserie. Ik kijk elke avond een aflevering.
  • Ik kijk graag naar komedies. Ik kijk niet zo vaak, misschien één keer per week.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kok in keuken

Een kok in een professionele keuken bereidt een gerecht. Hij snijdt groenten met een groot mes en heeft meerdere pannen op het fornuis staan, omringd door verse ingrediënten.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Dit is een kok. Wat is zijn beroep en waar werkt hij volgens u?

Voorbeeldantwoorden:

  • Hij is kok. Hij werkt in een restaurant of een hotel.
  • Zijn beroep is chef-kok. Hij werkt in een grote keuken, misschien in een ziekenhuis.
  • Hij kookt. Hij werkt waarschijnlijk in een professionele keuken.

8. Lezen: digitaal of papier

Afbeelding 1: Een persoon leest een e-book op een tablet. Afbeelding 2: Een persoon leest een fysiek boek met papieren pagina's.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe leest u het liefst, digitaal of van papier? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees het liefst van papier, want dat is beter voor mijn ogen.
  • Ik lees liever digitaal op een tablet, want dat is makkelijk mee te nemen.
  • Ik lees beide. Voor studeren liever van papier, voor ontspanning liever digitaal.

9. Brandweer

Afbeelding 1: Een brandweerman blust een brand met een waterslang. Afbeelding 2: Een brandweerman redt een kat uit een hoge boom. Afbeelding 3: Een brandweerman geeft voorlichting aan een groep lachende kinderen over brandveiligheid.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een brandweerman allemaal? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een brandweerman blust branden. Hij redt dieren en geeft les aan kinderen.
  • Een brandweerman helpt mensen en dieren bij gevaar. Hij blust vuur, redt dieren en geeft informatie.
  • Ze moeten branden bestrijden, dieren redden en kinderen leren over veiligheid.

10. Supermarkt kassa

Afbeelding 1: Een kassamedewerker scant artikelen in de supermarkt, met een klant die wacht. Afbeelding 2: De klant betaalt met een pinpas bij de kassa.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat gebeurt er in de supermarkt en hoe betaalt u meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Een kassamedewerker helpt een klant. Ik betaal meestal met mijn pinpas.
  • De klant rekent de boodschappen af. Ik betaal altijd met de pin.
  • Er wordt afgerekend in de supermarkt. Ik betaal het liefst contant.

11. Drankjes

Afbeelding 1: Een persoon drinkt een kop koffie in een gezellig café. Afbeelding 2: Een persoon drinkt een frisdrank op een zonnig terras. Afbeelding 3: Een persoon drinkt een glas water thuis aan tafel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke drankjes ziet u en wat drinkt u het liefst als u dorst heeft?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik zie koffie, frisdrank en water. Ik drink het liefst water als ik dorst heb.
  • De plaatjes tonen koffie, een frisdrank en water. Ik kies altijd voor water als ik dorstig ben.
  • Ik zie een kop koffie, een glas cola en water. Bij dorst drink ik het liefst een glas water.

12. Communicatie

Afbeelding 1: Een vrouw stuurt een bericht via haar smartphone. Afbeelding 2: Een man praat met iemand via een video-oproep op zijn laptop. Afbeelding 3: Twee vrienden bellen met elkaar via een traditionele telefoon.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe communiceert u het liefst met vrienden of familie? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik stuur het liefst berichten via mijn telefoon. Dat is snel en makkelijk.
  • Ik communiceer het liefst via video-oproepen op mijn laptop, zodat ik ze kan zien.
  • Ik bel het liefst met vrienden of familie. Berichten sturen doe ik minder graag.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #9

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Houdt u van koken of bestelt u liever eten? Vertel ook wat u dan het liefst kookt of bestelt

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kook graag zelf. Ik kook het liefst Italiaanse gerechten, zoals pasta.
  • Ik bestel liever eten, want ik heb niet veel tijd om te koken. Ik bestel dan graag pizza.
  • Ik kook meestal thuis, maar soms bestel ik een Indiase maaltijd als ik geen zin heb om te koken.

2. Heeft u een vaste sport of hobby? Hoe vaak doet u dat en waarom vindt u dat leuk?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik zwem drie keer per week. Ik vind het leuk omdat het ontspannend is.
  • Mijn hobby is lezen. Ik lees elke avond een uur, want ik houd van verhalen.
  • Ik sport twee keer per week in de sportschool. Ik doe dat om fit te blijven.

3. Wat is het belangrijkste cadeau dat u ooit heeft gekregen en van wie was dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het belangrijkste cadeau was een horloge van mijn ouders voor mijn verjaardag.
  • Ik kreeg een laptop van mijn broer, dat was heel belangrijk voor mijn studie.
  • Het mooiste cadeau was een reis naar Italië van mijn partner. Dat was een grote verrassing.

4. Wat zijn de belangrijkste feestdagen in uw eigen land en hoe viert u die?

Voorbeeldantwoorden:

  • In mijn land vieren we Nieuwjaar met familie en veel eten.
  • De belangrijkste feestdag is het Suikerfeest. We bezoeken dan familie en vrienden en eten zoetigheden.
  • Wij vieren de Nationale Dag met parades en vuurwerk. De hele stad is dan versierd.

5. Wat mist u het meest aan de supermarkten in uw eigen land?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik mis de grote variatie aan groenten en fruit die ik in mijn eigen land kon vinden.
  • Ik mis de speciale kruiden en specerijen uit mijn eigen land. Die zijn hier moeilijk te vinden.
  • Ik mis de drukte en de sfeer van de lokale markten in mijn geboorteland.

6. Woont u liever in een appartement of in een huis met een tuin? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een huis met een tuin, want ik houd van tuinieren en buiten zijn.
  • Ik woon liever in een appartement, want dat is makkelijker schoon te houden en ik heb minder onderhoud.
  • Ik kies voor een huis met een tuin. Ik wil ruimte voor mijn kinderen om te spelen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapot raam

Een persoon kijkt bezorgd naar een barst in een raam van een huis. Er liggen glasscherven op de grond.

Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het raam is kapot, er zit een barst in. De persoon moet een glaszetter bellen.
  • Er is een raam gebroken en er liggen scherven. Hij of zij moet het glas opruimen en het raam laten repareren.
  • Het probleem is een kapot raam. De persoon kan het beste veiligheidsmaatregelen nemen en hulp zoeken.

8. Kleding kopen: winkel of online

Afbeelding 1: Een drukke kledingwinkel met veel mensen die kleding passen en kopen. Afbeelding 2: Een online webshop voor kleding op een computerscherm.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe koopt u het liefst kleding, in een winkel of online? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop het liefst kleding in een winkel, want ik wil de kleding passen en de stof voelen.
  • Ik koop liever kleding online, want dat is makkelijker en ik heb meer keuze.
  • Ik koop kleding zowel in de winkel als online. Voor speciale kleding ga ik naar de winkel, voor simpele dingen online.

9. Bakker

Afbeelding 1: Een bakker staat vroeg in de ochtend brood te bakken. Afbeelding 2: De bakker decoreert taarten. Afbeelding 3: Klanten kopen broodjes in de bakkerij.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een bakker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een bakker bakt brood. Hij decoreert taarten. Hij verkoopt broodjes.
  • De bakker is bezig met het maken van verse producten. Hij bakt brood, versiert taarten en helpt klanten met de verkoop van broodjes.
  • Hij moet brood maken, taarten versieren en klanten bedienen in de winkel.

10. Vakantie: natuur of zee

Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een bosrijke omgeving. Afbeelding 2: Een persoon is aan het zwemmen in de zee.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vakantie door, in de natuur of aan zee? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vakantie het liefst door in de natuur, want ik houd van wandelen en frisse lucht.
  • Ik breng mijn vakantie het liefst door aan zee, want ik houd van zwemmen en zonnen op het strand.
  • Ik houd van beide. Soms ga ik naar de bergen, soms naar de kust, voor afwisseling.

11. Bibliotheek

Afbeelding 1: Een groep mensen leest boeken en kranten in een stille leeszaal van een bibliotheek. Afbeelding 2: Mensen werken aan computers in een openbare bibliotheek. Afbeelding 3: Kinderen luisteren naar een verhaaltje in een kinderhoekje.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal in een bibliotheek? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen lezen boeken en kranten. Ze werken op computers en kinderen luisteren naar verhaaltjes.
  • In de bibliotheek lezen mensen, gebruiken ze de computers om te studeren of te werken, en voor kinderen zijn er leesactiviteiten.
  • Ze lezen, studeren, gebruiken internet en er is ook een plek voor kinderen om te lezen.

12. Tram of metro

Afbeelding 1: Een tram rijdt door een stad. Afbeelding 2: Een metro komt aan op een ondergronds station.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welk openbaar vervoer gebruikt u het liefst, de tram of de metro? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik het liefst de tram, want die rijdt door de stad en ik zie veel.
  • Ik gebruik liever de metro, want die is sneller en heeft geen last van files.
  • Ik gebruik beide, afhankelijk van waar ik naartoe moet. De metro is voor lange afstanden, de tram voor kortere.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #10

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Welke kleding draagt u het liefst en waar koopt u uw kleding?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik draag het liefst comfortabele kleding, zoals jeans en T-shirts. Ik koop mijn kleding vaak online.
  • Ik draag graag nette kleding voor mijn werk. Ik koop mijn kleding in een kledingwinkel in de stad.
  • Ik draag het liefst sportkleding. Ik koop die bij de sportwinkel.

2. Reist u graag? Waar zou u graag naartoe willen reizen en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik reis graag. Ik zou graag naar Japan willen reizen, want ik vind de cultuur interessant.
  • Ik reis graag naar warme landen. Ik wil graag naar Spanje om te zonnen.
  • Nee, ik reis niet zo graag. Ik blijf liever thuis.

3. Wat vindt u van het Nederlandse weer en hoe is het weer in uw geboorteland?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind het Nederlandse weer vaak te regenachtig. In mijn geboorteland is het meestal zonnig.
  • Het Nederlandse weer is wisselvallig, maar ik vind het wel prima. In mijn land is het warmer.
  • Ik houd wel van het Nederlandse weer. In mijn geboorteland is het heel heet in de zomer.

4. Wat eet u meestal bij het avondeten en bereidt u dat zelf?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet meestal rijst met kip en groenten. Ja, dat bereid ik zelf.
  • Bij het avondeten eet ik vaak pasta. Ik kook dat zelf, want ik houd van koken.
  • Ik eet vaak aardappels met vlees en groenten. Mijn partner kookt meestal.

5. Heeft u een vaste dagelijkse routine? Wat doet u elke dag op vaste tijden?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik sta elke ochtend om 7 uur op, drink koffie en dan ga ik werken.
  • Mijn routine is vrij vast. Ik sport elke ochtend en eet om 6 uur 's avonds.
  • Nee, ik heb geen vaste routine. Elke dag is anders voor mij.

6. Wat heeft u vorig weekend gedaan en met wie was u toen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Vorig weekend ben ik naar het park geweest met mijn familie.
  • Ik heb vorig weekend thuis gerelaxt en een film gekeken. Ik was alleen.
  • Ik heb vorig weekend gewerkt. Ik was met mijn collega's.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Wasmachine lekt

Een persoon kijkt bezorgd naar een wasmachine die lekt. Er is veel water op de vloer.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is een lekkende wasmachine. De persoon moet de wasmachine uitzetten en de watertoevoer afsluiten.
  • De wasmachine is kapot en er stroomt water uit. De persoon moet een monteur bellen om het te repareren.
  • Er lekt water uit de wasmachine. Hij of zij moet snel de stekker eruit trekken en dweilen.

8. Park of winkelstraat

Afbeelding 1: Een persoon wandelt rustig in een groen stadspark. Afbeelding 2: Een persoon winkelt in een drukke winkelstraat.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u het liefst uw vrije tijd door, in een park of in een winkelstraat? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in een park, want ik houd van de rust en de natuur.
  • Ik ga liever naar een winkelstraat, want ik houd van winkelen en de gezellige sfeer.
  • Ik doe beide. Soms wil ik ontspannen in het park, soms wil ik winkelen in de stad.

9. Leraar

Afbeelding 1: Een leraar schrijft op het whiteboard in een klaslokaal voor studenten. Afbeelding 2: Een leraar helpt een student individueel met een opdracht. Afbeelding 3: Een leraar overlegt met collega's in de lerarenkamer.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een leraar allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een leraar geeft les, helpt studenten en overlegt met collega's.
  • De leraar staat voor de klas, begeleidt studenten bij hun werk en bespreekt zaken met andere docenten.
  • Hij of zij schrijft op het bord, helpt studenten en praat met andere leraren.

10. Trein of bus

Afbeelding 1: Een drukke trein staat op een station. Afbeelding 2: Een bus rijdt door een stad op een gewone weg.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Met welk openbaar vervoer reist u het liefst, met de trein of met de bus? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis het liefst met de trein, want die is sneller en comfortabeler voor lange afstanden.
  • Ik reis liever met de bus, want de bus stopt dichter bij mijn huis.
  • Ik gebruik de trein als ik ver weg moet. De bus gebruik ik voor korte afstanden in de stad.

11. Thuis vrije tijd

Afbeelding 1: Een persoon leest een boek op de bank. Afbeelding 2: Een persoon kijkt televisie in de woonkamer. Afbeelding 3: Een persoon kookt in de keuken.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal thuis in hun vrije tijd? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen lezen boeken, kijken televisie en koken thuis.
  • In hun vrije tijd thuis lezen mensen graag, kijken ze tv voor ontspanning of zijn ze bezig met koken.
  • Ze lezen, kijken een film of serie en maken lekker eten klaar.

12. Verpleegkundige

Afbeelding 1: Een verpleegkundige praat met een patiënt in bed. Afbeelding 2: Een verpleegkundige geeft een injectie aan een patiënt. Afbeelding 3: Een verpleegkundige schrijft aantekeningen in een medisch dossier.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een verpleegkundige allemaal in het ziekenhuis? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een verpleegkundige praat met patiënten, geeft injecties en schrijft informatie op.
  • In het ziekenhuis verzorgt de verpleegkundige patiënten, geeft medicatie en houdt de medische gegevens bij.
  • Ze moeten met patiënten praten, prikjes geven en administratie doen.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #11

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in het weekend en met wie bent u dan meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik slaap het liefst uit in het weekend. Ik ben dan meestal alleen of met mijn partner.
  • Ik ga graag naar het park met mijn kinderen in het weekend. We spelen dan samen.
  • Ik bezoek vrienden in het weekend. We drinken dan koffie en praten veel.

2. Welk fruit eet u graag en hoe vaak eet u fruit?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet graag appels. Ik eet elke dag twee appels.
  • Mijn favoriete fruit is banaan. Ik eet één keer per dag fruit.
  • Ik eet graag aardbeien als het zomer is. Ik eet niet elke dag fruit.

3. Wat vindt u van uw buren? Heeft u veel contact met ze?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind mijn buren aardig. Ik heb niet veel contact met ze, soms zeggen we hallo.
  • Ik heb goede buren. We drinken soms samen koffie.
  • Ik heb weinig contact met mijn buren. Ze zijn rustig.

4. Wat vindt u typisch Nederlands en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • De fietsen zijn typisch Nederlands. Iedereen fietst, dat is bijzonder.
  • De grachten en de oude huizen in de steden vind ik typisch Nederlands.
  • Ik vind de tulpen en molens typisch Nederlands, die zie je overal.

5. Welk dier heeft u of zou u graag willen hebben? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb geen huisdieren, maar ik zou graag een kat willen hebben, want die zijn zacht en rustig.
  • Ik heb een hond, want ik houd van wandelen en honden zijn goede vrienden.
  • Ik zou graag een aquarium met vissen willen hebben, want dat is rustgevend.

6. Wat doet u als u vrij bent van werk of school?

Voorbeeldantwoorden:

  • Als ik vrij ben, ga ik graag sporten of met vrienden afspreken.
  • Ik lees graag een boek als ik vrij ben van werk. Dat is ontspannend.
  • Als ik vrij ben, ga ik vaak boodschappen doen en kook ik een lekkere maaltijd.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapotte lamp

Een persoon kijkt bezorgd naar een lamp in de woonkamer, die niet brandt. De gloeilamp is duidelijk kapot.

Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De lamp is kapot. De persoon moet een nieuwe gloeilamp kopen.
  • Het licht werkt niet. Hij of zij moet de gloeilamp vervangen.
  • Er zit een kapotte gloeilamp in de lamp. De persoon moet een nieuwe erin doen.

8. Auto of trein

Afbeelding 1: Een auto rijdt op een snelweg. Afbeelding 2: Een trein rijdt door het landschap.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe reist u liever voor lange afstanden, met de auto of met de trein? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis liever met de trein, want ik kan dan lezen of werken.
  • Ik reis het liefst met de auto, want ik ben dan flexibeler en kan overal stoppen.
  • Voor lange afstanden kies ik de trein, dat is minder stressvol dan autorijden.

9. Dokter in spreekkamer

Afbeelding 1: Een dokter luistert naar de longen van een patiënt met een stethoscoop. Afbeelding 2: Een dokter praat met een patiënt over medicijnen. Afbeelding 3: De dokter schrijft iets in een medisch dossier.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een dokter allemaal in de spreekkamer? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een dokter onderzoekt patiënten, geeft advies over medicijnen en noteert informatie.
  • De dokter luistert naar de patiënt, bespreekt de behandeling en schrijft alles op.
  • Hij luistert met een stethoscoop, praat over de pillen en schrijft in het dossier.

10. Uit eten: luxe restaurant of eetcafé

Afbeelding 1: Een luxe restaurant met witte tafelkleden en kristallen glazen. Afbeelding 2: Een eenvoudig eetcafé met houten tafels en een ontspannen sfeer.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar gaat u liever uit eten, in een luxe restaurant of in een eenvoudig eetcafé? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga liever naar een eenvoudig eetcafé, want de sfeer is relaxter en het is goedkoper.
  • Ik ga liever naar een luxe restaurant voor een speciale gelegenheid, want het eten is vaak bijzonder.
  • Ik ga liever naar een eetcafé, want ik voel me daar meer op mijn gemak.

11. Ontspanning in het weekend

Afbeelding 1: Een persoon leest de krant. Afbeelding 2: Een persoon drinkt koffie op een terras. Afbeelding 3: Een persoon wandelt in het bos.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet u het liefst in het weekend om te ontspannen? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees graag de krant. Ik drink koffie op een terras. Ik wandel in het bos.
  • In het weekend lees ik graag de krant, drink ik koffie op een terras, of maak ik een wandeling in het bos om te ontspannen.
  • Ik doe graag al deze dingen: krant lezen, koffie drinken en wandelen in de natuur.

12. Stad of dorp

Afbeelding 1: Een skyline van een grote stad met hoge gebouwen en veel verkeer. Afbeelding 2: Een rustig dorpje met kleine huizen, een kerk en veel groen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar woont u liever, in een grote stad of in een klein dorp? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een grote stad, want er is veel te doen en te zien.
  • Ik woon liever in een klein dorp, want het is daar rustiger en de natuur is dichtbij.
  • Ik kies voor een stad, want daar zijn meer banen en faciliteiten.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #12

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Heeft u een vaste dagelijkse routine? Wat doet u elke dag op vaste tijden?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik sta elke ochtend om 7 uur op, drink koffie en dan begin ik met werken.
  • Mijn routine is vrij vast. Ik sport elke ochtend en eet om 6 uur 's avonds.
  • Nee, ik heb geen vaste routine. Elke dag is anders voor mij.

2. Welke kleding draagt u het liefst en waar koopt u uw kleding?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik draag het liefst comfortabele kleding, zoals jeans en T-shirts. Ik koop mijn kleding vaak online.
  • Ik draag graag nette kleding voor mijn werk. Ik koop mijn kleding in een kledingwinkel in de stad.
  • Ik draag het liefst sportkleding. Ik koop die bij de sportwinkel.

3. Hoe reist u meestal naar uw werk of school en hoe lang duurt de reis?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik reis meestal met de fiets naar mijn werk. Dat duurt ongeveer 15 minuten.
  • Ik ga met de bus naar school. De reis duurt ongeveer een half uur.
  • Ik rijd met de auto naar mijn werk. De reis duurt ongeveer 20 minuten.

4. Wat is uw favoriete soort film of serie en kijkt u daar vaak naar?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik houd van actiefilms. Ik kijk vaak in het weekend naar een film.
  • Mijn favoriete soort serie is een misdaadserie. Ik kijk elke avond een aflevering.
  • Ik kijk graag naar komedies. Ik kijk niet zo vaak, misschien één keer per week.

5. Wat vindt u makkelijk of moeilijk aan het leren van Nederlands en wat helpt u daarbij?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de grammatica moeilijk. Veel lezen helpt mij.
  • De uitspraak is moeilijk voor mij. Ik kijk veel Nederlandse televisieprogramma's om te oefenen.
  • Ik vind het makkelijk om nieuwe woorden te leren. Het spreken is soms nog moeilijk, maar ik probeer veel te praten.

6. Wat heeft u vorig weekend gedaan en met wie was u toen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Vorig weekend ben ik naar het park geweest met mijn familie.
  • Ik heb vorig weekend thuis gerelaxt en een film gekeken. Ik was alleen.
  • Ik heb vorig weekend gewerkt. Ik was met mijn collega's.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lekke band

Een man kijkt bezorgd naar een fiets met een lekke band. Hij houdt de fiets aan de kant van de weg vast, terwijl hij de platte band inspecteert.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de fiets een lekke band heeft. Hij moet de band plakken of vervangen.
  • Zijn fietsband is lek. Hij moet de fiets naar een fietsenmaker brengen voor reparatie.
  • De band is plat. Hij kan proberen zelf de band te repareren, of naar huis lopen met de fiets.

8. Natuur of winkelcentrum

Afbeelding 1: Een persoon wandelt rustig in een dicht bos, omringd door bomen en groen. Afbeelding 2: Een persoon winkelt in een modern, druk winkelcentrum met veel winkels en mensen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vrije tijd door, in de natuur of in een winkelcentrum? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in de natuur, want ik houd van wandelen en de frisse lucht.
  • Ik ga liever naar een winkelcentrum, want ik houd van shoppen en er zijn veel leuke cafés.
  • Ik houd van afwisseling. Soms wil ik rust in de natuur, soms de drukte van een winkelcentrum.

9. Kok tijdens het koken

Een kok in een professionele keuken bereidt een maaltijd. Afbeelding 1: Hij snijdt groenten op een snijplank. Afbeelding 2: Hij roert in een grote pan op het fornuis. Afbeelding 3: Hij proeft het gerecht met een lepel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een kok allemaal tijdens het koken? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een kok snijdt groenten, roert in de pan en proeft het eten.
  • De kok is bezig met het bereiden van een gerecht. Hij snijdt de ingrediënten, kookt ze en proeft om de smaak te controleren.
  • Hij moet de groenten klein maken, het eten goed mengen en daarna testen of het lekker is.

10. Werken: kantoor of thuis

Afbeelding 1: Een persoon werkt geconcentreerd op een laptop aan een bureau in een modern kantoor. Afbeelding 2: Een persoon zit thuis aan een tafel en werkt op een laptop, met een kop koffie ernaast.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar werkt u het liefst, op kantoor of thuis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik werk het liefst thuis, want daar is het rustig en kan ik me goed concentreren.
  • Ik werk liever op kantoor, want ik zie mijn collega's en de sfeer is professioneler.
  • Ik werk het liefst deels thuis en deels op kantoor, dat is een goede balans.

11. Dokter

Afbeelding 1: Een dokter luistert naar de borst van een patiënt met een stethoscoop. Afbeelding 2: Een dokter bespreekt medicatie met een patiënt. Afbeelding 3: De dokter schrijft aantekeningen in een patiëntendossier.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een dokter allemaal? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een dokter luistert naar patiënten, praat over medicijnen en schrijft alles op.
  • De dokter onderzoekt de patiënt, geeft medisch advies en documenteert de bevindingen in het dossier.
  • Hij of zij onderzoekt mensen, legt de behandeling uit en maakt notities.

12. Drankjes

Afbeelding 1: Een persoon drinkt een kop warme koffie. Afbeelding 2: Een persoon drinkt een glas thee. Afbeelding 3: Een persoon drinkt een glas water.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke drankjes ziet u en wat drinkt u het liefst als u dorst heeft? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik zie koffie, thee en water. Ik drink het liefst water als ik dorst heb.
  • De plaatjes tonen koffie, thee en water. Ik kies altijd voor water als ik dorstig ben.
  • Ik zie een kop koffie, een glas thee en een glas water. Bij dorst drink ik het liefst een glas water.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #13

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in het weekend als u helemaal niets hoeft te doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik slaap het liefst uit en lees een boek op de bank.
  • Ik kijk graag series op tv en kook dan iets lekkers.
  • Ik ga graag wandelen in het park of in het bos om mijn hoofd leeg te maken.

2. Wat is uw favoriete Nederlandse gerecht en hoe vaak eet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet graag stamppot, vooral in de winter. Dat eet ik één keer per maand.
  • Mijn favoriete Nederlandse gerecht is patat met mayonaise. Ik eet dat soms, misschien twee keer per maand.
  • Ik vind haring met uitjes lekker. Ik eet dat als het seizoen is.

3. Wat zijn uw dromen voor de toekomst, bijvoorbeeld qua werk of wonen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik droom ervan om een eigen bedrijf te starten in de IT-sector.
  • Mijn droom is om in een huis met een grote tuin te wonen en daar te tuinieren.
  • Ik hoop dat ik over vijf jaar vloeiend Nederlands spreek en een goede baan heb.

4. Welke openbare vervoermiddelen gebruikt u regelmatig en wat vindt u daar handig aan?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik de bus elke dag. Dat is handig, want de bus stopt dichtbij mijn werk.
  • Ik reis vaak met de trein, want ik kan dan lezen of werken tijdens de reis.
  • Ik gebruik de tram in de stad. Dat is handig omdat de tram door het centrum rijdt.

5. Wat vindt u leuk aan het leren van Nederlands en wat motiveert u om door te gaan?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind het leuk om nieuwe mensen te ontmoeten en met hen Nederlands te praten. Dat motiveert mij.
  • Het leukste is als ik een Nederlandse film zonder ondertiteling kan begrijpen. Dat motiveert mij om verder te leren.
  • Ik vind het leuk om de Nederlandse cultuur beter te begrijpen via de taal. Dat is een grote motivatie.

6. Geeft u graag cadeautjes aan anderen? Wat geeft u dan meestal en aan wie?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik geef graag cadeautjes. Ik geef vaak boeken aan mijn vrienden.
  • Ik geef graag cadeautjes aan mijn familie, vaak praktische dingen die ze nodig hebben.
  • Ik geef het liefst zelfgemaakte cadeautjes, bijvoorbeeld een kaart of een gebakje aan mijn buren.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Autopech

Een man staat bij zijn auto met de motorkap open. Hij kijkt gefrustreerd naar de motor. Rook komt onder de motorkap vandaan.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan hij het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Zijn auto is kapot, er komt rook uit. Hij moet de wegenwacht bellen.
  • De motor van de auto heeft een probleem. Hij kan het beste de auto uitzetten en hulp zoeken.
  • De auto is oververhit. Hij moet de auto aan de kant zetten en wachten op hulp.

8. Reizen: vliegtuig of bus

Afbeelding 1: Een vliegtuig stijgt op van een luchthaven. Afbeelding 2: Een stadsbus stopt bij een halte in een drukke stad.

Vraag: U gaat op reis, welke manier van reizen vindt u het prettigst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind reizen met het vliegtuig het prettigst voor lange afstanden, want dat is snel.
  • Ik reis het liefst met de bus voor korte afstanden, want dat is makkelijk en ik zie veel van de omgeving.
  • Voor een lange reis kies ik het vliegtuig, voor korte uitstapjes in de stad kies ik de bus.

9. Postbode

Afbeelding 1: Een postbode bezorgt brieven bij een huis. Afbeelding 2: Een postbode sorteert pakketjes in een busje. Afbeelding 3: De postbode praat met een klant aan de deur.

Vraag: Wat doet een postbode allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een postbode bezorgt brieven, sorteert pakketjes en praat met klanten.
  • Tijdens zijn werk bezorgt de postbode post en pakketten, en heeft hij contact met mensen aan de deur.
  • Hij brengt de post naar de huizen, ordent de pakketten en spreekt mensen aan de deur.

10. Weer: zonnig of regenachtig

Afbeelding 1: Een zonnige dag met blauwe lucht, mensen genieten buiten. Afbeelding 2: Een regenachtige dag met donkere wolken en regen, mensen schuilen.

Vraag: Welk weer vindt u het prettigst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind zonnig weer het prettigst, want dan kan ik lekker naar buiten.
  • Ik vind regenachtig weer prettig als ik thuis ben, want ik houd van de gezellige sfeer dan.
  • Ik houd het meest van zonnig weer, want ik word vrolijk van de zon.

11. In het park

Afbeelding 1: Een familie picknickt in het park op een deken. Afbeelding 2: Kinderen spelen op een speeltoestel in het park. Afbeelding 3: Een persoon leest een boek op een bankje in het park.

Vraag: Wat doen mensen allemaal in het park? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen picknicken, kinderen spelen en mensen lezen boeken.
  • In het park kunnen mensen picknicken met hun familie, kinderen kunnen spelen op de toestellen en mensen kunnen rustig een boek lezen.
  • Ze eten samen in het gras, kinderen spelen en volwassenen lezen of rusten uit.

12. Wonen: oud of modern

Afbeelding 1: Een oud, historisch gebouw in een stadscentrum met klassieke architectuur. Afbeelding 2: Een modern appartementencomplex met veel glas en strakke lijnen.

Vraag: In welk gebouw zou u het liefst wonen, in een oud gebouw of in een modern appartement? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik zou het liefst in een oud gebouw wonen, want ik houd van de geschiedenis en de sfeer.
  • Ik woon liever in een modern appartement, want dat is vaak van alle gemakken voorzien en heeft een strakke inrichting.
  • Ik kies een oud gebouw, want die hebben meer karakter dan een modern appartement.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #14

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in uw vrije tijd en met wie doet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport graag in mijn vrije tijd. Ik ga dan met vrienden naar de sportschool.
  • Ik lees het liefst een boek in mijn vrije tijd. Ik doe dat meestal alleen thuis.
  • Ik breng mijn vrije tijd graag door met mijn familie, we gaan dan wandelen in het park.

2. Wat eet u meestal als lunch en waar eet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet meestal brood met kaas als lunch. Ik eet dat op mijn werk.
  • Ik neem vaak een salade mee als lunch. Ik eet dat thuis of op school.
  • Ik eet meestal een warme maaltijd als lunch. Ik eet dat in de kantine.

3. Heeft u contact met familie in het buitenland? Hoe vaak en hoe?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb contact met mijn familie in Turkije. Ik bel ze elke week.
  • Nee, mijn familie woont hier in Nederland. Ik zie ze bijna elke dag.
  • Ja, ik heb contact met mijn familie via video bellen. Ik doe dat twee keer per maand.

4. Wat vindt u moeilijk aan Nederlands leren en wat doet u om het te verbeteren?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de grammatica moeilijk. Ik oefen veel met huiswerk om het te verbeteren.
  • De uitspraak is moeilijk voor mij. Ik kijk veel Nederlandse televisieprogramma's om te oefenen.
  • Ik vind het moeilijk om snel te praten. Ik probeer elke dag met Nederlanders te spreken.

5. Wat is de mooiste plaats waar u geweest bent en waarom was u daar?

Voorbeeldantwoorden:

  • Parijs is de mooiste stad waar ik geweest ben. Ik was daar voor een vakantie met mijn partner.
  • Ik vond Rome heel mooi. Ik was daar om de historische gebouwen te bekijken.
  • De mooiste plaats was een eiland in Indonesië. Ik was daar voor mijn huwelijksreis.

6. Werkt u of studeert u? Wat vindt u het leukste aan uw werk/studie?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik werk als kok. Ik vind het leuk om nieuwe gerechten te maken.
  • Ik studeer Nederlands. Ik vind het leuk om nieuwe woorden te leren.
  • Ik werk als programmeur. Het leukste vind ik het oplossen van ingewikkelde problemen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lekkende kraan

Een keuken met een lekkende kraan. Water druppelt in een emmer op de vloer.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem in deze keuken en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de kraan lekt. De persoon moet een loodgieter bellen.
  • Er druppelt water uit de kraan. Hij of zij kan de hoofdkraan dichtdraaien en dan proberen het te repareren.
  • De kraan is kapot. Het beste is om de wateroverlast te stoppen en een expert te laten kijken.

8. Skiën of zwemmen

Afbeelding 1: Mensen skiën in de sneeuw in de bergen. Afbeelding 2: Mensen zwemmen in een zwembad.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke sport doet u liever, skiën of zwemmen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik doe liever skiën, want ik houd van de bergen en de sneeuw.
  • Ik zwem liever, want ik houd van water en het is goed voor mijn lichaam.
  • Ik zou graag willen skiën, maar ik kan het niet. Daarom kies ik zwemmen.

9. Dokter aan het werk

Afbeelding 1: Een dokter luistert naar de longen van een patiënt met een stethoscoop. Afbeelding 2: Een dokter praat met een patiënt over medicijnen. Afbeelding 3: De dokter schrijft iets in een medisch dossier.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een dokter allemaal in zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een dokter onderzoekt patiënten, geeft advies over medicijnen en noteert informatie.
  • De dokter luistert naar de patiënt, bespreekt de behandeling en schrijft alles op in het dossier.
  • Hij luistert met een stethoscoop, praat over de pillen en schrijft in het medisch dossier.

10. Communicatie: bellen of berichten

Afbeelding 1: Een persoon belt met een mobiele telefoon. Afbeelding 2: Een persoon stuurt een bericht via zijn laptop.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe communiceert u het liefst met vrienden, via bellen of via berichten? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik bel het liefst met vrienden, want ik houd van persoonlijk contact en ik hoor hun stem.
  • Ik stuur liever berichten, want dat is sneller en ik kan nadenken over mijn antwoord.
  • Ik wissel af. Soms bel ik, soms stuur ik een bericht, afhankelijk van hoe druk ik ben.

11. Boodschappen doen

Afbeelding 1: Een vrouw kiest fruit in de supermarkt. Afbeelding 2: Een man kiest groenten. Afbeelding 3: Een persoon pakt een pak melk uit het schap.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal als ze boodschappen doen in de supermarkt? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen kiezen fruit. Ze kiezen groenten. Ze pakken ook producten uit het schap.
  • Als mensen boodschappen doen, selecteren ze fruit en groenten, en pakken ze andere producten zoals melk.
  • Ze kopen verse producten zoals fruit en groenten, en ze pakken basisproducten uit de rekken.

12. Stad of platteland

Afbeelding 1: Een drukke straat in een stad met hoge gebouwen en verkeer. Afbeelding 2: Een rustiek landschap met boerderijen, velden en weinig mensen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar woont u liever, in de stad of op het platteland? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in de stad, want er is veel te doen en te zien en ik houd van de levendigheid.
  • Ik woon liever op het platteland, want het is daar rustiger, schoner en de natuur is dichtbij.
  • Ik kies voor de stad, want daar zijn meer mogelijkheden voor werk en amusement.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #15

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u graag met uw familie en waar gaat u dan meestal naartoe?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga graag wandelen met mijn familie in het bos. Dat doen we in het weekend.
  • Wij eten vaak samen thuis met mijn familie. We koken dan iets lekkers.
  • Ik bezoek mijn familie in het buitenland. We gaan dan naar het strand.

2. Welk huisdier vindt u het leukst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind honden het leukst, want ze zijn heel trouw en speels.
  • Ik vind katten het leukst, want ze zijn rustig en onafhankelijk.
  • Ik houd van vissen in een aquarium. Ze zijn mooi om naar te kijken.

3. Wat is uw favoriete Nederlandse feestdag en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete Nederlandse feestdag is Koningsdag, want het is dan gezellig en overal zijn feesten.
  • Ik vind Sinterklaas een leuke feestdag, vooral voor de kinderen, met cadeautjes en snoep.
  • Ik houd van Oud en Nieuw, want dan is er vuurwerk en begint een nieuw jaar.

4. Hoe oud bent u en wat vindt u leuk aan uw leeftijd?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ben 30 jaar oud. Ik vind het leuk dat ik veel ervaring heb en veel weet.
  • Ik ben 22 jaar oud. Ik vind het leuk dat ik nog veel kan leren en veel mogelijkheden heb.
  • Ik ben 45 jaar oud. Ik vind het prettig dat ik rustiger ben geworden en meer tijd heb voor mezelf.

5. Wat doet u meestal als u moe bent?

Voorbeeldantwoorden:

  • Als ik moe ben, ga ik meestal op de bank liggen en kijk ik tv.
  • Ik drink dan een kop thee en lees een boek om te ontspannen.
  • Als ik erg moe ben, ga ik vroeg naar bed om goed uit te rusten.

6. Welke taal vindt u het mooist en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind Spaans de mooiste taal, want de klank is mooi en het klinkt vrolijk.
  • Ik vind mijn moedertaal het mooist, want die is vertrouwd en rijk aan uitdrukkingen.
  • Ik vind het Frans een mooie taal, omdat het heel romantisch klinkt.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lege koelkast

Een persoon kijkt gefrustreerd naar een lege koelkast, met open deuren en geen eten erin.

Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de koelkast leeg is. De persoon moet boodschappen doen.
  • Er is geen eten in de koelkast. Hij of zij kan het beste naar de supermarkt gaan.
  • De persoon heeft honger, want de koelkast is leeg. Ze moet eten bestellen of boodschappen halen.

8. Park of bioscoop

Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een stadspark. Afbeelding 2: Een persoon zit in een bioscoop en kijkt naar een film.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u het liefst uw vrije tijd door, in een park of in een bioscoop? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in een park, want ik houd van de frisse lucht en de natuur.
  • Ik ga liever naar een bioscoop, want ik houd van films kijken en de speciale sfeer.
  • Ik doe beide. Soms wil ik ontspannen in het park, soms wil ik een film zien in de bioscoop.

9. Leraar tijdens lesgeven

Afbeelding 1: Een leraar geeft les aan een groep volwassenen in een klaslokaal. Afbeelding 2: Een leraar geeft online les via een computerscherm. Afbeelding 3: Een leraar helpt een student individueel met huiswerk.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een leraar allemaal tijdens het lesgeven? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een leraar geeft les in een klas, geeft les online en helpt studenten persoonlijk.
  • Tijdens het lesgeven doceert de leraar aan groepen, verzorgt online lessen en biedt individuele begeleiding.
  • Hij of zij staat voor de klas, gebruikt de computer voor lessen en helpt studenten met vragen.

10. Boodschappentas of koffer

Afbeelding 1: Een persoon draagt een zware boodschappentas. Afbeelding 2: Een persoon draagt een koffer op een station.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke tas draagt u het liefst, een boodschappentas of een koffer? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik draag het liefst een koffer, want dat betekent dat ik op vakantie ga.
  • Ik draag liever een boodschappentas, want boodschappen doen is nodig en een koffer is vaak zwaar.
  • Ik draag het liefst geen van beide. Ik gebruik een trolley voor boodschappen en reis met een rugzak.

11. Vrije tijd van kinderen

Afbeelding 1: Een meisje speelt met een bal in de tuin. Afbeelding 2: Een meisje leest een boek op de bank. Afbeelding 3: Een meisje tekent aan een tafel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen kinderen allemaal in hun vrije tijd? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen spelen met een bal, lezen boeken en tekenen graag.
  • In hun vrije tijd spelen kinderen buiten, lezen ze verhaaltjes en zijn ze creatief met tekenen.
  • Ze voetballen, lezen en tekenen om zich te vermaken.

12. Ontspannen: tv of muziek

Afbeelding 1: Een persoon zit op een stoel en kijkt tv. Afbeelding 2: Een persoon luistert naar muziek met een koptelefoon.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe ontspant u het liefst, met tv kijken of met muziek luisteren? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ontspan het liefst met muziek luisteren, want ik word er rustig van.
  • Ik kijk liever tv, want ik houd van films en series.
  • Ik wissel af. Soms luister ik naar muziek, soms kijk ik tv, afhankelijk van mijn humeur.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #16

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat is uw favoriete dag van de week en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete dag is zaterdag, want dan ben ik vrij en kan ik leuke dingen doen.
  • Ik vind vrijdag het prettigst, want dan is het bijna weekend en kan ik ontspannen.
  • Mijn favoriete dag is woensdag. Ik heb dan minder werk en kan eerder naar huis.

2. Wat doet u meestal als u zich niet lekker voelt of ziek bent?

Voorbeeldantwoorden:

  • Als ik ziek ben, blijf ik thuis in bed en drink ik veel thee.
  • Ik neem een paracetamol en probeer te slapen als ik me niet lekker voel.
  • Als ik ziek ben, kijk ik naar films en probeer ik te rusten om snel beter te worden.

3. Wat doet u meestal in de ochtend voordat u naar werk of school gaat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta op, douche, ontbijt en drink koffie voordat ik wegga.
  • In de ochtend kleed ik me aan, maak mijn kinderen wakker en dan eten we samen.
  • Ik sport eerst in de ochtend, daarna ontbijt ik snel en ga ik naar mijn werk.

4. Wat koopt u het liefst bij de bakker en hoe vaak gaat u daar naartoe?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop het liefst vers brood bij de bakker. Ik ga er elke dag naartoe.
  • Ik koop graag croissants bij de bakker voor het ontbijt. Ik ga één keer per week.
  • Ik koop soms een lekkere taart bij de bakker voor een feestje. Dat is misschien twee keer per maand.

5. Wat is uw droombaan en waarom wilt u dat werk doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn droombaan is piloot, want ik houd van reizen en nieuwe plekken zien.
  • Ik zou graag leraar willen worden, omdat ik het leuk vind om kennis te delen met studenten.
  • Mijn droombaan is eigenaar van een klein café, want ik houd van koken en gasten ontvangen.

6. Welke soort boeken of tijdschriften leest u het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees het liefst romans en spannende verhalen.
  • Ik lees graag informatieve boeken over geschiedenis.
  • Ik lees het liefst mode-tijdschriften om op de hoogte te blijven van de laatste trends.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapotte televisie

Een persoon kijkt sip naar een televisie, waarvan het scherm kapot is en barsten vertoont.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de televisie kapot is. De persoon moet een nieuwe tv kopen.
  • Het scherm van de tv is gebroken. Hij of zij kan het beste proberen het te laten repareren, of een nieuwe aanschaffen.
  • De televisie werkt niet meer door het kapotte scherm. De persoon moet een specialist bellen.

8. Lopen of fietsen

Afbeelding 1: Een persoon wandelt over een trottoir in een stad. Afbeelding 2: Een persoon fietst op een fietspad.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe verplaatst u zich het liefst voor korte afstanden, te voet of met de fiets? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik verplaats me het liefst te voet voor korte afstanden, want dat is gezond en ik zie meer van de omgeving.
  • Ik fiets liever voor korte afstanden, want dat is sneller dan lopen.
  • Ik wandel graag als het mooi weer is. Als ik haast heb, pak ik de fiets.

9. Schoonmaker

Afbeelding 1: Een schoonmaker stofzuigt een kantoor. Afbeelding 2: Een schoonmaker maakt een badkamer schoon. Afbeelding 3: Een schoonmaker wast ramen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een schoonmaker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een schoonmaker stofzuigt kantoren, maakt badkamers schoon en wast ramen.
  • Tijdens zijn werk stofzuigt de schoonmaker, reinigt hij badkamers en zorgt hij voor schone ramen.
  • Hij of zij moet de vloer stofzuigen, de badkamer poetsen en de ramen wassen.

10. Elektronica kopen: winkel of online

Afbeelding 1: Een persoon bekijkt laptops en telefoons in een fysieke elektronicawinkel. Afbeelding 2: Een persoon bestelt een laptop via een website op een computer.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe koopt u het liefst elektronica, in een winkel of online? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop elektronica het liefst in een fysieke winkel, want ik wil de producten eerst zien en proberen.
  • Ik koop elektronica liever online, want de prijzen zijn vaak lager en de keuze is groter.
  • Ik kijk eerst in een winkel, maar koop daarna vaak online als de prijs beter is.

11. Zomeractiviteiten

Afbeelding 1: Mensen zwemmen in de zee op een zonnige dag. Afbeelding 2: Een familie picknickt in het park onder een boom. Afbeelding 3: Mensen wandelen over een pad in de bergen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal graag in de zomer? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen zwemmen in de zee. Ze picknicken in het park. Ze wandelen in de bergen.
  • In de zomer gaan mensen graag zwemmen in de zee, picknicken ze in het park en maken ze wandelingen in de bergen.
  • Ze gaan naar het water, eten in het park en maken uitstapjes in de natuur.

12. Vakantie: ontspannen of actief

Afbeelding 1: Een persoon ligt ontspannen op een strandstoel aan het strand, lezend. Afbeelding 2: Een persoon beklimt een berg, actief en met uitrusting.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke soort vakantie heeft uw voorkeur, een ontspannen vakantie of een actieve vakantie? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb een voorkeur voor een ontspannen vakantie op het strand, want ik houd van rust en de zon.
  • Ik kies voor een actieve vakantie in de bergen, want ik houd van uitdaging en nieuwe dingen ontdekken.
  • Ik wissel af. Soms wil ik ontspannen, soms wil ik actief bezig zijn in de vakantie.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #17

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Welke sport doet u het liefst en hoe vaak doet u die sport?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport graag in de sportschool. Ik ga twee keer per week.
  • Ik zwem graag. Ik zwem één keer per week.
  • Ik wandel elke dag. Dat is ook een sport voor mij.

2. Wat is uw favoriete drankje en drinkt u dat elke dag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete drankje is water. Ja, ik drink elke dag veel water.
  • Ik houd van koffie. Ik drink elke ochtend twee koppen koffie.
  • Mijn favoriete drankje is thee. Nee, ik drink niet elke dag thee, soms ook sap.

3. Heeft u een rijbewijs? Vertel ook waarom u wel of geen rijbewijs heeft

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb een rijbewijs. Ik vind het fijn, want ik kan overal naartoe rijden.
  • Nee, ik heb geen rijbewijs. Ik reis liever met het openbaar vervoer, dat is milieuvriendelijker.
  • Ik heb een rijbewijs, maar ik rijd niet vaak auto. Ik gebruik liever de fiets.

4. Wat vindt u leuk aan Nederland en wat mist u uit uw eigen land?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de fietscultuur in Nederland leuk. Ik mis de zon uit mijn eigen land.
  • De tolerantie van de mensen vind ik leuk. Ik mis mijn familie uit mijn eigen land.
  • Ik vind de steden mooi in Nederland. Ik mis het eten uit mijn geboorteland.

5. Waar bent u geboren en woont u daar nog steeds, of bent u verhuisd?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ben geboren in Istanbul en woon nu in Amsterdam.
  • Ik ben geboren in Utrecht en woon daar nog steeds.
  • Ik ben geboren in Rome, maar ik woon nu in Rotterdam.

6. Wat is de mooiste herinnering die u heeft aan uw kindertijd?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn mooiste herinnering is spelen met mijn broers en zussen in de zomervakantie.
  • Ik herinner me een verjaardagsfeestje. Ik kreeg veel cadeautjes.
  • De mooiste herinnering is de eerste keer dat ik naar school ging. Ik was heel enthousiast.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lekke fietsband

Een man staat bij een lekke fietsband. Hij kijkt boos naar de band en het gereedschap dat op de grond ligt.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan hij het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat zijn fietsband lek is. Hij kan het beste de band zelf plakken.
  • De fiets heeft een platte band. Hij moet naar een fietsenmaker gaan voor reparatie.
  • Zijn band is kapot. Hij kan proberen te bellen voor hulp of naar huis lopen met de fiets.

8. Park of café

Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een stadspark. Afbeelding 2: Een persoon zit in een druk café met een kop koffie.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vrije tijd door, in een park of in een café? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in een park, want ik houd van rust en de frisse lucht.
  • Ik ga liever naar een café, want ik houd van gezelligheid en mensen kijken.
  • Ik wissel af. Soms wil ik rust in het park, soms de levendigheid van een café.

9. Kok in de keuken

Afbeelding 1: Een kok snijdt groenten met een groot mes op een snijplank. Afbeelding 2: Een kok roert in een grote pan op een fornuis. Afbeelding 3: Een kok proeft het eten met een lepel en kijkt geconcentreerd.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een kok allemaal in de keuken? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een kok snijdt groenten, roert in de pan en proeft het eten.
  • De kok is bezig met het bereiden van een maaltijd. Hij snijdt de ingrediënten, kookt ze en proeft om de smaak te controleren.
  • Hij moet de groenten klein maken, het eten goed mengen en daarna testen of het lekker is.

10. Boodschappen: supermarkt of online

Afbeelding 1: Een persoon doet boodschappen in een fysieke supermarkt. Afbeelding 2: Een persoon bestelt boodschappen online via een laptop.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe doet u de boodschappen, in de gewone supermarkt of online? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik doe de boodschappen het liefst in de gewone supermarkt, want dan kan ik de producten zelf kiezen.
  • Ik bestel liever online, want dat is makkelijker en bespaart tijd.
  • Ik wissel af. Voor verse producten ga ik naar de supermarkt, voor zware producten bestel ik online.

11. Kinderen in hun vrije tijd

Afbeelding 1: Een meisje leest een boek op haar bed. Afbeelding 2: Een jongen speelt een computerspel met een controller. Afbeelding 3: Een kind tekent aan een tafel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen kinderen allemaal in hun vrije tijd? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen lezen boeken, spelen computerspelletjes en tekenen graag.
  • In hun vrije tijd lezen kinderen, spelen ze digitale spelletjes en zijn ze creatief bezig met tekenen.
  • Ze lezen, gamen en tekenen om zich te vermaken.

12. Wonen: stad of natuur

Afbeelding 1: Een grote stad met veel hoge gebouwen, bruggen en verkeer. Afbeelding 2: Een idyllisch landschap met een meer, bergen en groene natuur.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar zou u het liefst willen wonen, in een grote stad of in de natuur? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik zou het liefst in een grote stad willen wonen, want daar zijn veel banen en winkels.
  • Ik woon liever in de natuur, want het is daar rustig en de lucht is schoon.
  • Ik kies voor de stad, want ik houd van de energie en de vele mogelijkheden voor amusement.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #18

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst als u vrij bent van werk of school, en met wie bent u dan?

Voorbeeldantwoorden:

  • Als ik vrij ben, ga ik graag wandelen in het park met mijn familie.
  • Ik lees het liefst een boek als ik vrij ben. Ik ben dan meestal alleen.
  • Ik ga graag uit eten met vrienden als ik vrij ben. Dat is gezellig.

2. Welke vervoersmiddelen gebruikt u dagelijks en welk vindt u het handigst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik de fiets elke dag. Dat is het handigst in de stad.
  • Ik ga meestal met de bus en de trein. De trein is het handigst voor lange afstanden.
  • Ik rijd met de auto. Dat is het handigst, want ik moet veel spullen vervoeren.

3. Wat is uw favoriete drankje in de ochtend en drinkt u dat elke dag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete drankje in de ochtend is koffie. Ja, ik drink elke dag twee koppen koffie.
  • Ik drink het liefst thee in de ochtend. Ja, ik drink altijd thee.
  • Ik drink graag een glas water in de ochtend. Ik drink elke dag water.

4. Wat vindt u typisch Nederlands en wat mist u uit uw geboorteland?

Voorbeeldantwoorden:

  • De molens en tulpen vind ik typisch Nederlands. Ik mis de zon uit mijn geboorteland.
  • Ik vind de directe communicatie typisch Nederlands. Ik mis het eten uit mijn eigen land.
  • De fietspaden zijn typisch Nederlands. Ik mis de gastvrijheid van mijn geboorteland.

5. Hoe oud bent u en wat vindt u het leukste aan uw leeftijd?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ben 25 jaar. Ik vind het leuk dat ik nog veel kan leren en veel kan reizen.
  • Ik ben 40 jaar. Ik vind het fijn dat ik meer ervaring en rust heb.
  • Ik ben 35 jaar. Ik vind het leuk dat ik een gezin heb en een goede baan.

6. Wat doet u om gezond te blijven en hoe vaak doet u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport drie keer per week in de sportschool om gezond te blijven.
  • Ik eet veel groenten en fruit en drink veel water. Dat doe ik elke dag.
  • Ik wandel elke dag een uur en probeer genoeg te slapen om fit te blijven.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Autopech

Een vrouw staat met een open motorkap bij haar auto. Ze kijkt gefrustreerd en er komt stoom uit de motor.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De auto is kapot, er komt stoom uit de motor. Ze moet de wegenwacht bellen.
  • Haar auto is oververhit. Ze kan het beste de auto uitzetten en wachten op hulp.
  • Het probleem is dat de motor warm is. Ze moet niet verder rijden en een monteur bellen.

8. Lezen: digitaal of papier

Afbeelding 1: Een persoon leest een e-book op een tablet. Afbeelding 2: Een persoon leest een fysiek papieren boek.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe leest u het liefst, digitaal of van papier? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees het liefst van papier, want dat is rustiger voor mijn ogen en ik houd van de geur van boeken.
  • Ik lees liever digitaal op een tablet, want dat is makkelijk mee te nemen en ik heb veel boeken bij me.
  • Ik lees beide. Voor studeren liever van papier, voor ontspanning liever digitaal.

9. Leraar aan het werk

Afbeelding 1: Een leraar geeft les aan een groep studenten in een klaslokaal. Afbeelding 2: Een leraar helpt een student individueel met een opdracht. Afbeelding 3: Een leraar overlegt met collega's in de lerarenkamer.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een leraar allemaal in zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een leraar geeft les, helpt studenten en overlegt met collega's.
  • De leraar staat voor de klas, begeleidt studenten bij hun werk en bespreekt zaken met andere docenten.
  • Hij of zij schrijft op het bord, helpt studenten en praat met andere leraren.

10. Was en drogen

Afbeelding 1: Een persoon wast kleding in een wasmachine. Afbeelding 2: Een persoon hangt wasgoed op om te drogen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet u meestal met de was, en hoe vaak wast u kleding?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik was kleding in de wasmachine en hang het buiten op. Ik was twee keer per week.
  • Ik gebruik de wasmachine en droger. Ik was ongeveer drie keer per week.
  • Ik was mijn kleding met de hand en hang het op. Ik was één keer per week.

11. Concert

Afbeelding 1: Een persoon speelt gitaar in een band. Afbeelding 2: Een persoon zingt op een podium. Afbeelding 3: Mensen dansen op livemuziek in een concertzaal.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal bij een concert? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen spelen instrumenten, zingen en dansen op de muziek.
  • Bij een concert treden muzikanten op, zingen artiesten en geniet het publiek door te dansen.
  • Ze spelen gitaar, zingen liedjes en de mensen dansen veel.

12. Supermarkt of markt

Afbeelding 1: Een drukke supermarkt met veel klanten en volle schappen. Afbeelding 2: Een kleine, lokale markt met kraampjes en verse producten.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar doet u het liefst boodschappen, in een supermarkt of op de markt? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik doe het liefst boodschappen in de supermarkt, want daar is alles bij elkaar en het is makkelijk.
  • Ik ga liever naar de markt, want ik houd van verse producten en de gezellige sfeer.
  • Ik wissel af. Voor de meeste dingen ga ik naar de supermarkt, voor speciale verse producten ga ik naar de markt.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #19

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in de avond en met wie bent u dan meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • In de avond kijk ik graag een film met mijn partner.
  • Ik kook graag in de avond. Meestal ben ik dan alleen thuis.
  • Ik ga 's avonds graag sporten met vrienden.

2. Wat is uw favoriete drankje in de middag en waar drinkt u dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete drankje in de middag is thee. Ik drink dat thuis op de bank.
  • Ik drink graag een glas frisdrank in de middag. Dat drink ik dan op mijn werk.
  • Ik houd van water in de middag. Dat drink ik overal, op school of buiten.

3. Heeft u een tuin? Vertel ook wat u daar wel of niet leuk aan vindt

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb een kleine tuin. Ik vind het leuk om daar in de zomer te zitten.
  • Nee, ik heb geen tuin. Ik mis het niet, want ik houd niet van tuinieren.
  • Ik heb een tuin en ik vind het leuk om bloemen te planten, maar het is wel veel werk.

4. Wat vindt u van het openbaar vervoer in Nederland en gebruikt u het vaak?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind het openbaar vervoer in Nederland erg goed. Ik gebruik de bus elke dag.
  • Ik vind het openbaar vervoer hier duur. Ik gebruik het niet vaak, ik fiets liever.
  • Het openbaar vervoer is efficiënt. Ik gebruik de trein twee keer per week voor mijn werk.

5. Wat is het laatste boek dat u gelezen heeft en vond u het leuk?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het laatste boek dat ik gelezen heb was een roman. Ja, ik vond het heel spannend.
  • Ik heb een Nederlands lesboek gelezen. Het was interessant en leerzaam.
  • Het laatste boek was een biografie. Ik vond het goed, maar wel lang.

6. Wat is de beste tip die u aan iemand kunt geven om Nederlands te leren?

Voorbeeldantwoorden:

  • De beste tip is om veel Nederlands te spreken, ook als je fouten maakt.
  • Ik raad aan om Nederlandse films te kijken met ondertiteling. Dat helpt erg.
  • De beste tip is om elke dag nieuwe woorden te leren en die dan te gebruiken.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapotte gloeilamp

Een persoon kijkt naar een kapotte gloeilamp in een lamp. De kamer is donker en de persoon lijkt gefrustreerd.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de gloeilamp kapot is. De persoon moet een nieuwe gloeilamp kopen.
  • De lamp geeft geen licht meer. Hij of zij kan het beste de gloeilamp vervangen.
  • Er zit een gebroken gloeilamp in de lamp. De persoon moet een nieuwe erin draaien.

8. Koken of bestellen

Afbeelding 1: Een persoon kookt in een nette, moderne keuken, snijdend groenten. Afbeelding 2: Een persoon bestelt eten via een app op zijn telefoon, met diverse gerechten op het scherm.

Vraag: Hoe krijgt u het liefst uw eten, door zelf te koken of door eten te bestellen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kook het liefst zelf, want dat is gezonder en goedkoper.
  • Ik bestel liever eten, want ik heb niet veel tijd om te koken en ik houd van verschillende keukens.
  • Ik kook meestal zelf, maar soms bestel ik eten als ik geen zin heb om te koken.

9. Bouwvakker

Afbeelding 1: Een bouwvakker draagt stenen op een bouwplaats. Afbeelding 2: Een bouwvakker metselt een muur met cement en bakstenen. Afbeelding 3: Een bouwvakker werkt aan een dak, met hout en gereedschap.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een bouwvakker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een bouwvakker draagt stenen, maakt een muur en werkt aan een dak.
  • De bouwvakker is bezig met het bouwen van een huis. Hij transporteert materialen, metselt muren en bouwt daken.
  • Hij moet zware stenen tillen, muren bouwen en ook het dak van een gebouw maken.

10. Ontspannen: muziek of krant

Afbeelding 1: Een persoon luistert naar muziek met een koptelefoon in een drukke bus of trein. Afbeelding 2: Een persoon leest een krant op een rustig bankje in een park op een zonnige dag.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe ontspant u het liefst, met muziek luisteren of met de krant lezen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ontspan het liefst met muziek luisteren, want ik word er rustig van en kan het overal doen.
  • Ik lees liever de krant om te ontspannen, want ik wil graag op de hoogte blijven van het nieuws.
  • Ik wissel af. Soms wil ik naar muziek luisteren, soms rustig de krant lezen.

11. Sporten door kinderen

Afbeelding 1: Een jongen speelt voetbal op een groen grasveld in een park. Afbeelding 2: Een meisje zwemt in een zwembad met blauw water. Afbeelding 3: Kinderen fietsen op een pad door een bosrijke omgeving.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke sporten doen kinderen allemaal graag? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen spelen graag voetbal, zwemmen en fietsen.
  • In hun vrije tijd sporten kinderen graag. Ze spelen voetbal, zwemmen en gaan vaak fietsen.
  • Ze vinden het leuk om te voetballen, te zwemmen en fietstochten te maken.

12. Vrije tijd: thuis of museum

Afbeelding 1: Een persoon zit thuis ontspannen op de bank en kijkt televisie. Afbeelding 2: Een persoon is in een museum en bekijkt aandachtig een kunstwerk.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vrije tijd door, thuis of in een museum? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst thuis door, want ik houd van rust en ontspanning.
  • Ik ga liever naar een museum, want ik houd van kunst en nieuwe dingen leren.
  • Ik wissel af. Soms wil ik thuis rusten, soms wil ik naar een museum gaan voor cultuur.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #20

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat is uw favoriete dag van het jaar en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete dag is Nieuwjaarsdag, want dan begint een nieuw jaar met nieuwe mogelijkheden.
  • Ik vind mijn verjaardag de leukste dag, want dan krijg ik cadeautjes en vier ik feest.
  • Ik houd van Kerstmis, want dan ben ik met mijn familie en is de sfeer heel gezellig.

2. Heeft u liever warm of koud weer? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb liever warm weer, want dan kan ik buiten zijn en zwemmen.
  • Ik vind koud weer prettiger, want ik houd van sneeuw en gezellige avonden thuis.
  • Ik kies voor warm weer, dan kan ik veel buiten doen en voel ik me energieker.

3. Wat is het belangrijkste in uw leven en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het belangrijkste in mijn leven is mijn familie, want zij steunen mij altijd.
  • Mijn gezondheid is het belangrijkst, want ik wil fit blijven en lang leven.
  • Mijn werk is heel belangrijk voor mij, want het geeft mij voldoening en structuur.

4. Wat doet u om Nederlands te oefenen buiten de les?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kijk veel Nederlandse televisieprogramma's om mijn luistervaardigheid te oefenen.
  • Ik lees Nederlandse boeken en kranten om nieuwe woorden te leren.
  • Ik praat elke dag met mijn Nederlandse vrienden en collega's. Dat helpt het meest.

5. Heeft u een vaste werktijd of werkt u flexibel?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb een vaste werktijd, van 9 tot 5. Dat vind ik prettig, want het geeft structuur.
  • Ik werk flexibel. Soms werk ik meer, soms minder, dat past goed bij mijn leven.
  • Meestal werk ik op vaste tijden, maar soms kan ik mijn uren zelf bepalen als dat nodig is.

6. Wat is de eerste maaltijd van de dag voor u en wat eet u dan?

Voorbeeldantwoorden:

  • De eerste maaltijd is het ontbijt. Ik eet dan meestal brood met kaas of jam.
  • Ik sla het ontbijt vaak over. Mijn eerste maaltijd is de lunch, dan eet ik een salade.
  • Ik drink alleen koffie in de ochtend. Mijn eerste maaltijd is rond 10 uur, dan eet ik yoghurt met fruit.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lekkende wasmachine

Een persoon kijkt gestrest naar een wasmachine die lekt en water op de vloer spuit.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De wasmachine is kapot en er lekt water uit. De persoon moet de stekker eruit trekken en een monteur bellen.
  • Er ligt veel water op de vloer door de lekkende wasmachine. Ze moet de watertoevoer afsluiten en de vloer dweilen.
  • Het probleem is een lekkage bij de wasmachine. Het beste is om snel te handelen en professionele hulp te zoeken.

8. Sport: buiten of binnen

Afbeelding 1: Een persoon rent buiten in een park. Afbeelding 2: Een persoon doet yoga binnen in een fitnessruimte.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke sport doet u liever, buiten of binnen? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport liever buiten, want ik houd van de frisse lucht en de natuur.
  • Ik sport liever binnen, want dan ben ik niet afhankelijk van het weer en kan ik alle apparaten gebruiken.
  • Ik doe beide. Als het mooi weer is, sport ik buiten, anders ga ik naar de sportschool.

9. Leraar aan het werk

Afbeelding 1: Een leraar geeft les aan een groep studenten aan het whiteboard. Afbeelding 2: Een leraar helpt een student individueel met een opdracht. Afbeelding 3: Een leraar corrigeert huiswerk en toetsen aan een bureau.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een leraar allemaal in zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een leraar geeft les aan de klas, helpt studenten persoonlijk en corrigeert hun werk.
  • De leraar doceert voor de groep, biedt individuele begeleiding aan studenten en beoordeelt opdrachten.
  • Hij of zij staat voor de klas, beantwoordt vragen van studenten en kijkt huiswerk na.

10. Nieuws: krant of televisie

Afbeelding 1: Een persoon leest een krant aan een tafel in een café. Afbeelding 2: Een persoon kijkt televisie thuis op de bank.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe volgt u het nieuws het liefst, via de krant of via televisie? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik volg het nieuws het liefst via de krant, want dan kan ik rustig lezen en nadenken.
  • Ik kijk liever televisie voor het nieuws, want ik zie dan ook beelden en het is vaak sneller.
  • Ik gebruik beide. Soms lees ik de krant voor de details, soms kijk ik tv voor een snel overzicht.

11. Kinderen in hun vrije tijd

Afbeelding 1: Kinderen spelen met bouwblokken en speelgoed. Afbeelding 2: Kinderen lezen boeken op de grond. Afbeelding 3: Kinderen tekenen aan een tafel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen kinderen allemaal graag in hun vrije tijd? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen spelen graag met speelgoed, lezen boeken en tekenen veel.
  • In hun vrije tijd spelen kinderen met bouwblokken, verdiepen ze zich in verhalen en zijn ze creatief met tekeningen maken.
  • Ze vinden het leuk om te spelen, te lezen en te tekenen om zich te vermaken.

12. Vakantie: strand of stad

Afbeelding 1: Een persoon ligt ontspannen op een strandbedje aan zee. Afbeelding 2: Een persoon wandelt door een drukke winkelstraat in een historische stad.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke soort vakantie heeft uw voorkeur, een strandvakantie of een stedentrip? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb een voorkeur voor een strandvakantie, want ik houd van de zon, zwemmen en lekker ontspannen.
  • Ik kies liever voor een stedentrip, want ik houd van cultuur, architectuur en nieuwe steden ontdekken.
  • Ik wissel af. Soms wil ik ontspannen aan het strand, soms wil ik actief zijn in een stad.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #21

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Welke vervoersmiddelen gebruikt u dagelijks en welk vindt u het handigst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik de fiets elke dag. Dat is het handigst in de stad.
  • Ik ga meestal met de bus en de trein. De trein is het handigst voor lange afstanden.
  • Ik rijd met de auto. Dat is het handigst, want ik moet veel spullen vervoeren.

2. Wat doet u het liefst in de avond en met wie bent u dan meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • In de avond kijk ik graag een film met mijn partner.
  • Ik kook graag in de avond. Meestal ben ik dan alleen thuis.
  • Ik ga 's avonds graag sporten met vrienden.

3. Wat is het belangrijkste in uw leven en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het belangrijkste in mijn leven is mijn familie, want zij steunen mij altijd.
  • Mijn gezondheid is het belangrijkst, want ik wil fit blijven en lang leven.
  • Mijn werk is heel belangrijk voor mij, want het geeft mij voldoening en structuur.

4. Welk huisdier vindt u het leukst en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind honden het leukst, want ze zijn heel trouw en speels.
  • Ik vind katten het leukst, want ze zijn rustig en onafhankelijk.
  • Ik houd van vissen in een aquarium. Ze zijn mooi om naar te kijken.

5. Wat doet u om Nederlands te oefenen buiten de les?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kijk veel Nederlandse televisieprogramma's om mijn luistervaardigheid te oefenen.
  • Ik lees Nederlandse boeken en kranten om nieuwe woorden te leren.
  • Ik praat elke dag met mijn Nederlandse vrienden en collega's. Dat helpt het meest.

6. Hoe laat staat u op en wat is het eerste wat u doet?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta om 7 uur op. Ik drink dan eerst koffie.
  • Ik sta om half 7 op. Het eerste wat ik doe is douchen.
  • Ik sta om 8 uur op. Ik ontbijt dan meteen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lekkende wasmachine

Een persoon kijkt gestrest naar een wasmachine die lekt en water op de vloer spuit.

Vraag: Kijk naar het plaatje. Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De wasmachine is kapot en er lekt water uit. De persoon moet de stekker eruit trekken en een monteur bellen.
  • Er ligt veel water op de vloer door de lekkende wasmachine. Ze moet de watertoevoer afsluiten en de vloer dweilen.
  • Het probleem is een lekkage bij de wasmachine. Het beste is om snel te handelen en professionele hulp te zoeken.

8. Park of bioscoop

Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een stadspark. Afbeelding 2: Een persoon zit in een bioscoop en kijkt naar een film.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u het liefst uw vrije tijd door, in een park of in een bioscoop? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in een park, want ik houd van de frisse lucht en de natuur.
  • Ik ga liever naar een bioscoop, want ik houd van films kijken en de speciale sfeer.
  • Ik doe beide. Soms wil ik ontspannen in het park, soms wil ik een film zien in de bioscoop.

9. Leraar tijdens lesgeven

Afbeelding 1: Een leraar geeft les aan een groep volwassenen in een klaslokaal. Afbeelding 2: Een leraar geeft online les via een computerscherm. Afbeelding 3: Een leraar helpt een student individueel met huiswerk.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een leraar allemaal tijdens het lesgeven? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een leraar geeft les in een klas, geeft les online en helpt studenten persoonlijk.
  • Tijdens het lesgeven doceert de leraar aan groepen, verzorgt online lessen en biedt individuele begeleiding.
  • Hij of zij staat voor de klas, gebruikt de computer voor lessen en helpt studenten met vragen.

10. Boodschappentas of koffer

Afbeelding 1: Een persoon draagt een zware boodschappentas. Afbeelding 2: Een persoon draagt een koffer op een station.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke tas draagt u het liefst, een boodschappentas of een koffer? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik draag het liefst een koffer, want dat betekent dat ik op vakantie ga.
  • Ik draag liever een boodschappentas, want boodschappen doen is nodig en een koffer is vaak zwaar.
  • Ik draag het liefst geen van beide. Ik gebruik een trolley voor boodschappen en reis met een rugzak.

11. Kinderen in hun vrije tijd

Afbeelding 1: Een meisje speelt met een bal in de tuin. Afbeelding 2: Een meisje leest een boek op de bank. Afbeelding 3: Een meisje tekent aan een tafel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen kinderen allemaal in hun vrije tijd? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kinderen spelen met een bal, lezen boeken en tekenen graag.
  • In hun vrije tijd spelen kinderen buiten, lezen ze verhaaltjes en zijn ze creatief met tekenen.
  • Ze voetballen, lezen en tekenen om zich te vermaken.

12. Ontspannen: tv of muziek

Afbeelding 1: Een persoon zit op een stoel en kijkt tv. Afbeelding 2: Een persoon luistert naar muziek met een koptelefoon.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe ontspant u het liefst, met tv kijken of met muziek luisteren? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ontspan het liefst met muziek luisteren, want ik word er rustig van.
  • Ik kijk liever tv, want ik houd van films en series.
  • Ik wissel af. Soms luister ik naar muziek, soms kijk ik tv, afhankelijk van mijn humeur.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #22

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst in de winter en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik blijf het liefst binnen en drink warme chocolademelk, want het is koud buiten.
  • Ik ga graag schaatsen in de winter. Dat is een leuke sport.
  • Ik bezoek graag familie in de winter, dat is gezellig.

2. Welke dag van de week vindt u het prettigst om te werken/studeren en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind maandag het prettigst, want dan begin ik weer fris aan de week.
  • Ik vind vrijdag het prettigst, want dan is het bijna weekend en kan ik ontspannen.
  • Ik vind dinsdag een prettige dag, het is vaak een productieve dag.

3. Wat is uw favoriete gerecht om te koken en voor wie kookt u dat meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kook graag lasagne voor mijn familie.
  • Ik maak graag soep voor mezelf, dat is makkelijk.
  • Ik bereid graag een barbecue voor vrienden in de zomer.

4. Hoe viert u uw verjaardag en met wie?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vier mijn verjaardag met een feestje met vrienden.
  • Ik vier mijn verjaardag rustig thuis met mijn partner.
  • Ik ga uit eten met mijn familie voor mijn verjaardag.

5. Heeft u een vaste baan of zoekt u werk? Wat voor werk doet/zoekt u?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik heb een vaste baan als verpleegkundige.
  • Ik zoek werk in de IT-sector.
  • Ik heb een parttime baan als caissière.

6. Wat doet u om te ontspannen na een drukke dag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees graag een boek om te ontspannen.
  • Ik kijk tv om tot rust te komen.
  • Ik maak 's avonds een wandeling om te ontspannen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapotte gloeilamp

Een persoon kijkt bezorgd naar een gloeilamp in een lamp die duidelijk kapot is. De kamer is donker.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het probleem is dat de gloeilamp kapot is. De persoon moet een nieuwe gloeilamp kopen.
  • De lamp geeft geen licht meer. Hij of zij kan het beste de gloeilamp vervangen.
  • Er zit een kapotte gloeilamp in de lamp. De persoon moet een nieuwe erin doen.

8. Boodschappen: online of winkel

Afbeelding 1: Een persoon doet online boodschappen via een computer. Afbeelding 2: Een persoon koopt boodschappen in een supermarkt.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe doet u het liefst boodschappen, online of in een fysieke winkel? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik doe het liefst online boodschappen, want dat is gemakkelijk en bespaart tijd.
  • Ik doe liever boodschappen in een fysieke winkel, want ik kies graag zelf verse producten.
  • Ik doe beide. Online voor zware dingen en in de winkel voor verse producten.

9. Kok in de keuken

Afbeelding 1: Een kok snijdt groenten. Afbeelding 2: Een kok roert in een pan. Afbeelding 3: Een kok proeft het eten.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een kok allemaal in de keuken? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een kok snijdt groenten, roert in de pan en proeft het eten.
  • De kok is bezig met het bereiden van een maaltijd. Hij snijdt de ingrediënten, kookt ze en proeft om de smaak te controleren.
  • Hij moet de groenten klein maken, het eten goed mengen en daarna testen of het lekker is.

10. Ontspannen: muziek of tv

Afbeelding 1: Een persoon luistert naar muziek met een koptelefoon. Afbeelding 2: Een persoon kijkt tv.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe ontspant u het liefst, met muziek luisteren of met tv kijken? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ontspan het liefst met muziek luisteren, want ik word er rustig van.
  • Ik kijk liever tv, want ik houd van films en series.
  • Ik wissel af. Soms luister ik naar muziek, soms kijk ik tv, afhankelijk van mijn humeur.

11. Postbode

Afbeelding 1: Een postbode bezorgt brieven. Afbeelding 2: Een postbode sorteert pakketjes. Afbeelding 3: Een postbode praat met een klant.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een postbode allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een postbode bezorgt brieven, sorteert pakketjes en praat met klanten.
  • Tijdens zijn werk bezorgt de postbode post en pakketten, en heeft hij contact met mensen aan de deur.
  • Hij brengt de post naar de huizen, ordent de pakketten en spreekt mensen aan de deur.

12. Vrije tijd: winkelstraat of park

Afbeelding 1: Een drukke winkelstraat in een stad. Afbeelding 2: Een rustig park met veel groen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar brengt u het liefst uw vrije tijd door, in een winkelstraat of in een park? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door in een park, want ik houd van de rust en de natuur.
  • Ik ga liever naar een winkelstraat, want ik houd van winkelen en de gezellige sfeer.
  • Ik doe beide. Soms wil ik ontspannen in het park, soms wil ik winkelen in de stad.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #23

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat is uw favoriete kledingstuk en draagt u dat vaak?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete kledingstuk is een spijkerbroek. Ja, ik draag die bijna elke dag.
  • Ik houd van mijn warme trui. Ik draag die vaak in de winter.
  • Mijn favoriete kledingstuk is een jurk. Ik draag die voor speciale gelegenheden.

2. Welke taal spreekt u het liefst, naast Nederlands, en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik spreek het liefst Engels, want dat is mijn moedertaal en ik spreek het vloeiend.
  • Ik spreek graag Spaans, want ik vind het een mooie taal en ik kan met veel mensen praten.
  • Ik spreek het liefst mijn moedertaal, omdat ik daarin mijn gevoelens het best kan uiten.

3. Heeft u vrienden of familie in Nederland? Wat doet u meestal samen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb familie in Nederland. We bezoeken elkaar vaak en eten samen.
  • Ik heb veel vrienden in Nederland. We gaan graag uit eten of naar het park.
  • Nee, mijn familie en vrienden wonen niet in Nederland. Ik ben hier alleen.

4. Welk seizoen vindt u het prettigst en wat doet u dan het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de zomer het prettigst, want dan kan ik lekker naar buiten en zwemmen.
  • Ik vind de lente het prettigst, want dan wordt de natuur weer mooi en kan ik wandelen.
  • Ik houd van de herfst, want dan zijn de kleuren mooi en ik vind de frisse lucht fijn.

5. Waarom leert u Nederlands en wat is uw doel?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik leer Nederlands voor mijn inburgering. Mijn doel is om het examen te halen.
  • Ik leer Nederlands voor mijn werk, want ik wil beter kunnen communiceren met mijn collega's.
  • Ik leer Nederlands omdat ik de Nederlandse cultuur beter wil begrijpen. Mijn doel is om vloeiend te spreken.

6. Wat is de eerste maaltijd van de dag voor u en wat eet u dan?

Voorbeeldantwoorden:

  • De eerste maaltijd is het ontbijt. Ik eet dan meestal brood met kaas of jam.
  • Ik sla het ontbijt vaak over. Mijn eerste maaltijd is de lunch, dan eet ik een salade.
  • Ik drink alleen koffie in de ochtend. Mijn eerste maaltijd is rond 10 uur, dan eet ik yoghurt met fruit.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Autopech

Een man staat bij zijn auto met de motorkap open. Hij kijkt gefrustreerd en er komt rook uit de motor.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan hij het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Zijn auto is kapot, er komt rook uit. Hij moet de wegenwacht bellen.
  • De motor van de auto heeft een probleem. Hij kan het beste de auto uitzetten en hulp zoeken.
  • De auto is oververhit. Hij moet de auto aan de kant zetten en wachten op hulp.

8. Vakantie: natuur of zee

Afbeelding 1: Een persoon is aan het wandelen in een bosrijke omgeving. Afbeelding 2: Een persoon is aan het zwemmen in de zee.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vakantie door, in de natuur of aan zee? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vakantie het liefst door in de natuur, want ik houd van wandelen en frisse lucht.
  • Ik breng mijn vakantie het liefst door aan zee, want ik houd van zwemmen en zonnen op het strand.
  • Ik houd van beide. Soms ga ik naar de bergen, soms naar de kust, voor afwisseling.

9. Schoonmaker

Afbeelding 1: Een schoonmaker stofzuigt een kantoor. Afbeelding 2: Een schoonmaker maakt een badkamer schoon. Afbeelding 3: Een schoonmaker wast ramen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een schoonmaker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een schoonmaker stofzuigt kantoren, maakt badkamers schoon en wast ramen.
  • Tijdens zijn werk stofzuigt de schoonmaker, reinigt hij badkamers en zorgt hij voor schone ramen.
  • Hij of zij moet de vloer stofzuigen, de badkamer poetsen en de ramen wassen.

10. Elektronica kopen: winkel of online

Afbeelding 1: Een persoon bekijkt laptops en telefoons in een fysieke elektronicawinkel. Afbeelding 2: Een persoon bestelt een laptop via een website op een computer.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe koopt u het liefst elektronica, in een winkel of online? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik koop elektronica het liefst in een fysieke winkel, want ik wil de producten eerst zien en proberen.
  • Ik koop elektronica liever online, want de prijzen zijn vaak lager en de keuze is groter.
  • Ik kijk eerst in een winkel, maar koop daarna vaak online als de prijs beter is.

11. Studeren: alleen of in groep

Afbeelding 1: Een man zit met een laptop, boeken en notities aan een bureau. Afbeelding 2: Een vrouw zit in een collegezaal met een pen en papier. Afbeelding 3: Een groep mensen bespreekt iets rond een whiteboard.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke dingen gebruikt u als u studeert of leert, en studeert u liever alleen of in een groep?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik een laptop en boeken. Ik studeer liever alleen.
  • Ik gebruik pen en papier om aantekeningen te maken. Ik leer het liefst in een groep.
  • Ik gebruik mijn laptop en schrijf notities. Ik studeer soms alleen en soms met anderen.

12. Nieuws: krant of tv

Afbeelding 1: Een persoon leest een krant aan een tafel in een café. Afbeelding 2: Een persoon kijkt televisie thuis op de bank.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe volgt u het nieuws het liefst, via de krant of via televisie? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik volg het nieuws het liefst via de krant, want dan kan ik rustig lezen en nadenken.
  • Ik kijk liever televisie voor het nieuws, want ik zie dan ook beelden en het is vaak sneller.
  • Ik gebruik beide. Soms lees ik de krant voor de details, soms kijk ik tv voor een snel overzicht.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #24

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat is uw favoriete hobby en hoe vaak doet u die?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete hobby is lezen. Ik lees elke avond een uur.
  • Ik houd van koken. Ik kook bijna elke dag voor mijn familie.
  • Mijn hobby is sporten. Ik ga drie keer per week naar de sportschool.

2. Wat vindt u het leukst aan winkelen en wat koopt u dan meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind het leuk om nieuwe kleding te kopen. Ik koop dan meestal T-shirts en broeken.
  • Het leukste aan winkelen vind ik het ontdekken van nieuwe producten. Ik koop vaak speciale etenswaren.
  • Ik vind het leuk om met vrienden te winkelen. Ik koop dan vaak cadeautjes voor anderen.

3. Wat is het belangrijkste cadeau dat u ooit heeft gegeven en aan wie was dat?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het belangrijkste cadeau dat ik heb gegeven was een laptop aan mijn broer voor zijn studie.
  • Ik heb mijn moeder een weekendje weg gegeven voor haar verjaardag. Dat was heel belangrijk voor haar.
  • Het belangrijkste cadeau was een zelfgemaakt fotoboek voor mijn partner. Het was vol met herinneringen.

4. Welke dag van de week vindt u het prettigst om vrij te zijn en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind zaterdag het prettigst om vrij te zijn, want dan heb ik het hele weekend nog voor me.
  • Ik vind zondag het prettigst, want dan kan ik rustig tijd doorbrengen met mijn familie.
  • Vrijdag is mijn favoriete vrije dag, want dan kan ik lekker vroeg aan het weekend beginnen.

5. Wat doet u meestal in de avond om te ontspannen?

Voorbeeldantwoorden:

  • In de avond ontspan ik meestal door een film te kijken of een boek te lezen.
  • Ik luister graag naar muziek om te ontspannen na een drukke dag.
  • Ik maak vaak een korte wandeling om mijn hoofd leeg te maken en te ontspannen.

6. Heeft u een vaste dagelijkse routine? Vertel wat u 's ochtends doet

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik sta elke ochtend om 7 uur op. Ik drink dan koffie en ontbijt voordat ik ga werken.
  • Mijn routine is vrij vast. Ik douche elke ochtend en maak mijn lunch klaar voordat ik wegga.
  • Nee, ik heb geen vaste routine. Maar ik zorg altijd dat ik mijn tanden poets en iets eet in de ochtend.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Overlopend toilet

Een persoon kijkt bezorgd naar een overlopend toilet. Water stroomt op de vloer.

Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het toilet loopt over en er ligt water op de vloer. De persoon moet de watertoevoer afsluiten en een loodgieter bellen.
  • Het probleem is een verstopping of defect in het toilet. Hij of zij moet snel handdoeken neerleggen en hulp zoeken.
  • Er is een overstroming door het toilet. De persoon moet de kraan dichtdraaien en proberen het water op te ruimen.

8. Camping of hotel

Afbeelding 1: Een familie kampeert met een tent op een camping in de natuur. Afbeelding 2: Een luxe hotelkamer in een stad met een groot bed en modern interieur.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe brengt u het liefst uw vakantie door, op een camping of in een hotel? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vakantie het liefst door op een camping, want ik houd van de natuur en vrijheid.
  • Ik verblijf liever in een hotel, want ik houd van comfort en de service in de stad.
  • Ik wissel af. Soms kampeer ik voor de avontuur, soms kies ik een hotel voor ontspanning.

9. Winkelmedewerker

Afbeelding 1: Een winkelmedewerker vult de schappen in een supermarkt. Afbeelding 2: Een winkelmedewerker helpt een klant bij de kassa in een kledingwinkel. Afbeelding 3: Een winkelmedewerker sorteert kleding in een magazijn van een winkel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een winkelmedewerker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een winkelmedewerker vult schappen, helpt klanten aan de kassa en sorteert producten.
  • Tijdens zijn werk vult de winkelmedewerker de rekken aan, bedient hij klanten en organiseert hij de goederen in het magazijn.
  • Hij of zij moet de winkel netjes maken, klanten helpen en de spullen opruimen.

10. Hobby: lezen of sporten

Afbeelding 1: Een persoon leest een boek op de bank in de woonkamer. Afbeelding 2: Een persoon sport in een sportschool, liftend gewichten.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welke hobby doet u het liefst, lezen of sporten? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport het liefst, want ik vind het belangrijk om fit en gezond te blijven.
  • Ik lees liever, want ik houd van verhalen en ik leer graag nieuwe dingen.
  • Ik doe beide. Soms lees ik een boek voor ontspanning, soms sport ik voor energie.

11. In het ziekenhuis

Afbeelding 1: Een patiënt wacht in de wachtkamer van een ziekenhuis. Afbeelding 2: Een verpleegkundige praat met een patiënt in bed. Afbeelding 3: Een dokter onderzoekt een patiënt met een stethoscoop.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal in het ziekenhuis? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • In het ziekenhuis wachten patiënten, verpleegkundigen praten met patiënten en dokters onderzoeken patiënten.
  • Patiënten wachten op hun beurt, verpleegkundigen verzorgen en informeren patiënten, en dokters voeren medische controles uit.
  • Ze wachten op hulp, praten met verplegers en worden onderzocht door dokters.

12. Auto of motor

Afbeelding 1: Een sportauto rijdt op een weg. Afbeelding 2: Een motorrijder rijdt op een snelweg.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welk vervoermiddel vindt u leuker, een auto of een motor? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind een auto leuker, want die is veiliger en comfortabeler, vooral met slecht weer.
  • Ik vind een motor leuker, want dat geeft meer vrijheid en een gevoel van avontuur.
  • Ik kies voor een auto, want ik kan dan meer mensen meenemen en meer bagage vervoeren.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #25

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat heeft u vorig jaar gedaan tijdens uw vakantie en met wie was u toen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Vorig jaar ben ik naar Spanje geweest met mijn partner. We hebben daar lekker gerelaxt aan het strand.
  • Ik ben vorig jaar in Nederland gebleven. Ik heb gefietst met mijn familie in Drenthe.
  • Ik heb vorig jaar geen vakantie gehad. Ik heb toen doorgewerkt.

2. Viert u graag uw verjaardag? Hoe viert u die meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik vier mijn verjaardag graag. Ik geef dan een feestje thuis voor vrienden en familie.
  • Ik vier mijn verjaardag rustig. Ik ga dan meestal uit eten met mijn partner.
  • Ik vier mijn verjaardag niet graag. Ik ben liever niet het middelpunt van de aandacht.

3. Naar welke muziek luistert u graag en in welke stemming?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik luister graag naar popmuziek als ik vrolijk ben of aan het sporten ben.
  • Als ik moe ben, luister ik graag naar klassieke muziek om te ontspannen.
  • Ik luister graag naar jazzmuziek als ik rustig wil werken of lezen.

4. Wat is een bekende Nederlandse gewoonte of traditie die u kent en wat vindt u daarvan?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ken Koningsdag. Ik vind het leuk dat iedereen dan oranje draagt en er feesten zijn.
  • Ik ken Sinterklaas. Ik vind het een mooie traditie voor kinderen met cadeautjes.
  • Ik vind de fietscultuur een bijzondere gewoonte. Iedereen fietst hier overal naartoe.

5. Waar ontspant u het liefst, thuis of buitenshuis, en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ontspan het liefst thuis, want dan kan ik lekker op de bank liggen en films kijken.
  • Ik ontspan liever buitenshuis, bijvoorbeeld in een park, want ik houd van frisse lucht.
  • Ik wissel af. Soms wil ik thuis rusten, soms ga ik naar een café voor gezelligheid.

6. Wat is uw favoriete drankje in de avond en drinkt u dat vaak?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete drankje in de avond is thee. Ja, ik drink bijna elke avond thee.
  • Ik drink graag een glas water in de avond. Dat drink ik elke dag.
  • Mijn favoriete avonddrankje is een glas wijn. Nee, dat drink ik niet vaak, alleen in het weekend.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Verstopte wasbak

Een persoon kijkt gefrustreerd naar een verstopte wasbak. Water staat tot de rand en er is water op het aanrecht.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De wasbak is verstopt en loopt over. De persoon moet de kraan dichtdraaien en proberen de verstopping op te lossen.
  • Er is een probleem met de afvoer van de wasbak. Hij of zij moet een loodgieter bellen.
  • De wasbak is vol met water en het kan niet weg. De persoon moet het water weghalen en kijken wat er aan de hand is.

8. Stad of strand

Afbeelding 1: Mensen zijn in een drukke stadstraat met hoge gebouwen en verkeer. Afbeelding 2: Mensen ontspannen op een rustig strand met zand en zee.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Brengt u het liefst uw vrije tijd door in de stad of op het strand? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik breng mijn vrije tijd het liefst door op het strand, want ik houd van de zon en het geluid van de zee.
  • Ik breng mijn vrije tijd liever door in de stad, want ik houd van de levendigheid en de vele activiteiten.
  • Ik wissel af. Soms wil ik de rust van het strand, soms de energie van de stad.

9. Politieagent

Afbeelding 1: Een politieagent praat met een persoon aan de kant van de weg. Afbeelding 2: Een politieagent regelt het verkeer op een kruispunt. Afbeelding 3: Een politieagent schrijft een rapport aan een bureau.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een politieagent allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een politieagent praat met mensen, regelt het verkeer en schrijft rapporten.
  • Tijdens zijn werk heeft de politieagent contact met burgers, stuurt hij het verkeer aan en verricht hij administratief werk.
  • Hij of zij moet met mensen praten, de auto's helpen en papieren invullen.

10. Hond of kat

Afbeelding 1: Een persoon wandelt met een hond aan de lijn in een park. Afbeelding 2: Een persoon speelt met een kat op de bank thuis.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Welk huisdier vindt u het leukst en wilt u het liefst hebben, een hond of een kat? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind honden het leukst, want ik houd van wandelen en honden zijn heel trouw.
  • Ik vind katten het leukst, want ze zijn rustiger en makkelijker om binnen te houden.
  • Ik houd van beide, maar ik zou het liefst een kat hebben, want ik heb niet zoveel tijd voor een hond.

11. In de keuken

Afbeelding 1: Een persoon kookt in een pan op het fornuis. Afbeelding 2: Een persoon wast af in de gootsteen. Afbeelding 3: Een persoon eet aan een keukentafel.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen mensen allemaal in de keuken? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Mensen koken, wassen af en eten in de keuken.
  • In de keuken bereiden mensen maaltijden, doen ze de afwas en eten ze vaak hun maaltijden.
  • Ze maken eten, ruimen de afwas op en zitten aan tafel om te eten.

12. Leren: klas of thuis

Afbeelding 1: Een groep studenten zit in een klaslokaal met een leraar. Afbeelding 2: Een persoon studeert thuis aan een bureau met boeken en een laptop.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Leert u liever in een klaslokaal of thuis? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik leer liever in een klaslokaal, want dan kan ik vragen stellen aan de leraar en met andere studenten praten.
  • Ik leer liever thuis, want daar is het rustig en kan ik me beter concentreren.
  • Ik doe beide. Soms leer ik graag in een klas, soms studeer ik liever thuis.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #26

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u het liefst op een regenachtige dag en met wie?

Voorbeeldantwoorden:

  • Op een regenachtige dag kijk ik het liefst films thuis met mijn familie.
  • Ik lees graag een boek als het regent. Dan ben ik meestal alleen.
  • Ik ga graag naar een museum als het regent, met vrienden.

2. Naar welke muziek luistert u graag als u verdrietig bent en waar luistert u daar naar?

Voorbeeldantwoorden:

  • Als ik verdrietig ben, luister ik graag naar rustige klassieke muziek. Meestal thuis op de bank.
  • Ik luister dan naar droevige popnummers via mijn koptelefoon in mijn kamer.
  • Ik luister naar jazz in een café als ik verdrietig ben, dat helpt mij te ontspannen.

3. Kijkt u liever films in de bioscoop of thuis? Vertel ook waarom

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kijk liever films in de bioscoop, want de sfeer is speciaal en het scherm is groot.
  • Ik kijk liever films thuis, want dan kan ik comfortabel op de bank liggen en een pauze nemen.
  • Ik kijk soms films in de bioscoop, maar meestal kijk ik thuis, dat is goedkoper.

4. Wat is uw favoriete seizoen en wat doet u dan het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn favoriete seizoen is de zomer. Dan ga ik graag zwemmen en zonnen op het strand.
  • Ik houd van de lente. Dan ga ik graag wandelen in de natuur en zie ik de bloemen bloeien.
  • De herfst is mijn favoriet. Ik maak dan graag lange fietstochten door het bos.

5. Kookt u graag of bestelt u liever eten? Wat kookt of bestelt u dan meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kook graag zelf. Ik maak dan meestal een uitgebreide pastamaaltijd.
  • Ik bestel liever eten. Ik bestel dan vaak sushi of een Indiase curry.
  • Ik kook de meeste dagen, maar in het weekend bestel ik wel eens een pizza.

6. Wat doet u meestal voordat u gaat slapen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Voordat ik ga slapen, lees ik meestal een boek in bed.
  • Ik kijk graag nog even televisie voordat ik naar bed ga.
  • Ik drink een kopje thee en praat met mijn partner voordat ik ga slapen.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Lekke autoband

Een persoon kijkt gefrustreerd naar een auto met een platte band aan de kant van de weg. Het is een zonnige dag.

Vraag: Wat is het probleem en wat moet de persoon volgens u nu doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De auto heeft een lekke band. De persoon moet de reserveband erop zetten of de wegenwacht bellen.
  • Het probleem is een platte autoband. Hij of zij kan het beste proberen de band te wisselen of hulp in te schakelen.
  • De band is kapot. De persoon moet de auto veilig aan de kant zetten en om assistentie vragen.

8. Studeren: alleen of in groep

Afbeelding 1: Een persoon zit alleen aan een bureau met boeken en een laptop te studeren. Afbeelding 2: Een groep studenten zit samen aan een tafel in een bibliotheek om te studeren en te overleggen.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Studeert u liever alleen of in een groep? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik studeer liever alleen, want ik kan me dan beter concentreren en ik word niet afgeleid.
  • Ik studeer liever in een groep, want dan kunnen we elkaar helpen en discussiëren over de stof.
  • Ik wissel af. Voor moeilijke onderwerpen studeer ik alleen, voor projecten studeer ik in een groep.

9. Winkelmedewerker

Afbeelding 1: Een winkelmedewerker hangt kleding netjes op in een kledingzaak. Afbeelding 2: Een winkelmedewerker scant producten bij de kassa voor een klant. Afbeelding 3: Een winkelmedewerker poetst een etalageruit.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doet een winkelmedewerker allemaal tijdens zijn werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Een winkelmedewerker vult de rekken met kleding, helpt klanten aan de kassa en maakt de winkel schoon.
  • Tijdens zijn werk organiseert de winkelmedewerker producten, bedient hij klanten en zorgt hij voor een schone presentatie.
  • Hij of zij moet de kleding ophangen, de klanten helpen met betalen en de ramen van de winkel wassen.

10. In de stad: fiets of auto

Afbeelding 1: Een persoon fietst over een fietspad in een stad met gebouwen en ander verkeer. Afbeelding 2: Een persoon rijdt met een auto op een drukke stadsstraat.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Hoe verplaatst u zich het liefst in de stad, met de fiets of met de auto? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik verplaats me het liefst met de fiets in de stad, want dat is sneller en je hebt geen last van files.
  • Ik rijd liever met de auto in de stad, want ik kan dan meer meenemen en ben niet afhankelijk van het weer.
  • Ik kies voor de fiets in de stad, want het is goedkoper en beter voor het milieu dan de auto.

11. In de tuin

Afbeelding 1: Ouders wateren planten in een tuin. Afbeelding 2: Een kind speelt op een schommel in de tuin. Afbeelding 3: Een familie heeft een barbecue in de tuin.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Wat doen families allemaal graag in de tuin? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Families werken in de tuin, kinderen spelen en mensen barbecuen.
  • In de tuin onderhouden families de planten, kinderen spelen op speeltoestellen en ze organiseren barbecues.
  • Ze verzorgen de bloemen, kinderen schommelen en ze eten samen buiten.

12. Wonen: klein huis of appartementencomplex

Afbeelding 1: Een klein, gezellig rijtjeshuis aan een rustige straat. Afbeelding 2: Een groot, modern appartementencomplex met veel verdiepingen in een drukke omgeving.

Vraag: Kijk naar de plaatjes. Waar woont u liever, in een klein huis of in een groot appartementencomplex? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een klein huis, want ik houd van privacy en een eigen tuin.
  • Ik woon liever in een groot appartementencomplex, want dat is vaak in de stad en dichtbij voorzieningen.
  • Ik kies voor een klein huis, want ik houd niet van veel buren en het is vaak rustiger.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #27

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat doet u meestal na uw werk of school om te ontspannen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Na mijn werk wandel ik een half uur en kijk ik daarna tv.
  • Ik kook iets simpels en bel met familie.
  • Ik lees een boek of luister naar muziek om te ontspannen.

2. Wat eet u het liefst als avondeten en met wie eet u meestal?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik eet graag pasta met salade en ik eet meestal met mijn partner.
  • Ik maak vaak soep en brood en eet alleen.
  • Ik kook rijst met groenten en eet met mijn gezin.

3. Hoe vaak sport u en welke sport doet u het liefst?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport drie keer per week in de sportschool.
  • Ik ga twee keer per week zwemmen.
  • Ik wandel elke dag een half uur buiten.

4. Hoe reist u meestal naar uw werk of school en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik ga met de fiets, want dat is snel en gezond.
  • Ik neem de bus en de trein, want het is ver.
  • Ik ga met de auto, omdat ik zware spullen meeneem.

5. Wat doet u in het weekend graag met vrienden of familie?

Voorbeeldantwoorden:

  • We gaan graag picknicken in het park.
  • We bezoeken familie en drinken samen koffie.
  • We gaan naar de stad om te winkelen.

6. Welke apps gebruikt u dagelijks en waarvoor?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik gebruik WhatsApp om met vrienden te praten.
  • Ik gebruik Google Maps om routes te vinden.
  • Ik gebruik een nieuwsapp om op de hoogte te blijven.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Gebroken telefoonscherm

Een persoon houdt een telefoon vast met een gebarsten scherm en kijkt bezorgd.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het scherm is kapot. De persoon kan het scherm laten repareren.
  • De telefoon is gevallen. Hij of zij moet een reparatiewinkel zoeken.
  • Het scherm werkt niet goed. Het is verstandig om een specialist te bellen.

8. Hardlopen: buiten of op de loopband

Afbeelding 1: Iemand rent buiten in een park. Afbeelding 2: Iemand rent op een loopband in de sportschool.

Vraag: Waar sport u liever, buiten of in de sportschool? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sport liever buiten, want ik houd van frisse lucht.
  • Ik sport liever binnen, want het weer maakt dan niet uit.
  • Ik doe beide, afhankelijk van het weer en mijn tijd.

9. Pakketbezorger

Afbeelding 1: Een koerier laadt dozen in een busje. Afbeelding 2: De bezorger geeft een pakket aan bij een deur. Afbeelding 3: Een klant zet een handtekening op een scanner.

Vraag: Wat doet een pakketbezorger allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Hij laadt pakketten, bezorgt ze en laat een handtekening zetten.
  • De bezorger sorteert, brengt pakketten rond en registreert de ontvangst.
  • Eerst inladen, dan afleveren en tot slot de levering bevestigen.

10. Betalen: contant of pin

Afbeelding 1: Iemand betaalt met contant geld. Afbeelding 2: Iemand betaalt met een pinpas.

Vraag: Hoe betaalt u het liefst, contant of met pin? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik betaal liever met pin, dat is snel en veilig.
  • Ik betaal soms contant, dan houd ik beter overzicht.
  • Ik gebruik pin voor grote bedragen en contant voor kleine.

11. Binnenactiviteiten voor kinderen

Afbeelding 1: Een kind maakt een puzzel. Afbeelding 2: Een kind tekent met kleurpotloden. Afbeelding 3: Een kind bouwt met blokken.

Vraag: Wat doen kinderen allemaal graag binnen? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ze maken een puzzel, tekenen en bouwen met blokken.
  • Kinderen zijn creatief: ze tekenen, puzzelen en bouwen.
  • Puzzelen, tekenen en bouwen zijn populaire activiteiten.

12. Wonen: hoog appartement of huis met tuin

Afbeelding 1: Een appartement op een hoge verdieping in de stad. Afbeelding 2: Een huis met een kleine tuin in een rustige straat.

Vraag: Waar woont u liever, in een hoog appartement of in een huis met tuin? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik woon liever in een huis met tuin, want ik houd van buiten zitten.
  • Ik kies voor een appartement, want dat is centraal en onderhoudsvrij.
  • Ik vind een huis met tuin fijner, vooral voor kinderen.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #28

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Hoe begint u uw ochtend op een doordeweekse dag?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta om 7 uur op, douche en ontbijt met brood.
  • Ik breng eerst mijn kinderen naar school en ga dan naar mijn werk.
  • Ik sport kort, drink koffie en vertrek.

2. Wat vindt u leuk aan uw woonplaats en wat mist u?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind de parken mooi, maar ik mis mijn familie.
  • Er zijn veel winkels, maar ik mis de rust van het platteland.
  • Het openbaar vervoer is goed, ik mis niets.

3. Welke taal wilt u nog leren en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik wil Duits leren voor mijn werk.
  • Ik wil Frans leren, omdat ik graag naar Frankrijk ga.
  • Ik wil beter Engels leren om te reizen.

4. Wat eet u graag in het weekend?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik maak pannenkoeken met mijn kinderen.
  • Ik kook graag een stoofpot.
  • Ik bestel soms pizza met vrienden.

5. Hoe vaak belt u met familie of vrienden?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik bel mijn familie elke week.
  • Ik stuur vaker berichten dan dat ik bel.
  • Ik video-bel eens per maand.

6. Wat doet u om fit te blijven?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik fiets dagelijks naar mijn werk.
  • Ik doe yoga twee keer per week.
  • Ik wandel veel met mijn hond.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Kapotte waterkoker

Een waterkoker lekt water op het aanrecht; een persoon kijkt bezorgd.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De waterkoker lekt. De persoon moet het apparaat uitzetten en vervangen.
  • Het apparaat is kapot. Hij of zij kan het laten nakijken of een nieuwe kopen.
  • Het is onveilig. De stekker eruit halen en het aanrecht drogen.

8. Boeken: bibliotheek of digitaal

Afbeelding 1: Iemand leent boeken in de bibliotheek. Afbeelding 2: Iemand leest een e-book op een tablet.

Vraag: Hoe leest u het liefst, met papieren boeken of digitaal? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees liever papieren boeken, dat is rustiger.
  • Ik lees digitaal, want het is licht en handig.
  • Ik gebruik beide, afhankelijk van de situatie.

9. Pakketbezorger in de wijk

Afbeelding 1: De bezorger sorteert pakketten. Afbeelding 2: De bezorger bezorgt aan huis. Afbeelding 3: De bezorger maakt een foto als bewijs.

Vraag: Wat doet een pakketbezorger allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Hij sorteert, bezorgt en registreert met een foto.
  • Pakketten indelen, afleveren en ontvangst vastleggen.
  • Eerst sorteren, dan bezorgen en tot slot bewijs maken.

10. Bankzaken: online of aan de balie

Afbeelding 1: Iemand gebruikt internetbankieren op een laptop. Afbeelding 2: Iemand spreekt met een medewerker aan de balie.

Vraag: Hoe regelt u het liefst uw bankzaken, online of in de bank? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik regel het liefst alles online, dat is snel.
  • Ik ga liever naar de bank voor advies.
  • Ik doe simpele dingen online en moeilijke aan de balie.

11. Winterpret voor kinderen

Afbeelding 1: Kinderen maken een sneeuwpop. Afbeelding 2: Kinderen schaatsen op een ijsbaan. Afbeelding 3: Kinderen drinken warme chocolademelk binnen.

Vraag: Wat doen kinderen graag in de winter? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ze maken een sneeuwpop, schaatsen en drinken warme chocolademelk.
  • Buitenspelen in de sneeuw, schaatsen en daarna opwarmen binnen.
  • Sneeuwpoppen maken, schaatsen en iets warms drinken.

12. Vakantie: bungalowpark of stedentrip

Afbeelding 1: Een bungalow in een bosrijk park. Afbeelding 2: Een historische stad met een plein en terrasjes.

Vraag: Waar gaat u liever naartoe, een bungalowpark of een stad? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kies het bungalowpark voor rust en natuur.
  • Ik kies de stad voor musea en restaurants.
  • Ik wissel af, afhankelijk van het seizoen.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #29

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Wat kookt u graag en hoe vaak kookt u per week?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kook graag pasta en ik kook vijf keer per week.
  • Ik maak vaak soep en salade, drie keer per week.
  • Ik kook doordeweeks snel en uitgebreid in het weekend.

2. Wanneer studeert of leert u het liefst en waar?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik studeer het liefst in de ochtend aan de keukentafel.
  • 's Avonds leer ik graag in de bibliotheek.
  • In het weekend leer ik in een caf met koffie.

3. Welke Nederlandse feestdag vindt u leuk en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik vind Koningsdag leuk vanwege de sfeer.
  • Sinterklaas is leuk voor de kinderen.
  • Bevrijdingsdag vind ik belangrijk.

4. Woont u liever in het centrum of aan de rand van de stad?

Voorbeeldantwoorden:

  • In het centrum, dicht bij alles.
  • Aan de rand, want het is rustiger.
  • Het hangt af van mijn werk.

5. Hoeveel tijd besteedt u aan sport of beweging per week?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ongeveer drie uur per week.
  • Elke dag een half uur wandelen.
  • Ik sport vooral in het weekend.

6. Wat doet u online het meest?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees nieuws en kijk video's.
  • Ik chat met vrienden en familie.
  • Ik koop soms dingen in webwinkels.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Sleutel kwijt bij de deur

Een persoon staat bij zijn voordeur en zoekt in een tas naar een sleutel; hij kijkt bezorgd.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Hij is zijn sleutel kwijt. Hij kan familie bellen of een slotenmaker.

  • De sleutel is weg. Het beste is rustig zoeken en hulp vragen.

  • Misschien is de sleutel binnen. Hij kan bij buren aanbellen voor hulp.

8. Lezen: krant op papier of nieuws op de telefoon

Afbeelding 1: Iemand leest een papieren krant. Afbeelding 2: Iemand leest nieuws op een smartphone.

Vraag: Hoe volgt u het nieuws het liefst? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik lees een papieren krant, dat is overzichtelijk.
  • Ik gebruik de telefoon, dat is snel en altijd bij de hand.
  • Ik doe beide, afhankelijk van de tijd.

9. Kapper (haarstylist)

Afbeelding 1: De kapper wast iemands haar. Afbeelding 2: De kapper knipt het haar. Afbeelding 3: De kapper ruimt de werkplek op.

Vraag: Wat doet een kapper allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Wassen, knippen en opruimen.
  • De kapper bereidt voor, knipt en maakt schoon.
  • Haar wassen, knipwerk en daarna netjes achterlaten.

10. Winkelen: kleding passen of online bestellen

Afbeelding 1: Iemand past kleding in een pashokje. Afbeelding 2: Iemand bestelt kleding online op een laptop.

Vraag: Hoe koopt u het liefst kleding? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik pas kleding graag in de winkel om de maat te checken.
  • Ik bestel online, want het is makkelijk om te vergelijken.
  • Ik kijk in de winkel en koop soms online voor de prijs.

11. Kinderen in de sneeuw

Afbeelding 1: Kinderen gooien met sneeuwballen. Afbeelding 2: Kinderen sleeën van een heuvel. Afbeelding 3: Kinderen warmen op met thee binnen.

Vraag: Wat doen kinderen allemaal in de sneeuw? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Sneeuwballen gooien, sleeën en opwarmen met thee.
  • Buitenspelen in de sneeuw en daarna warm worden binnen.
  • Spelen, glijden en iets warms drinken.

12. Vakantie: bergen of meer

Afbeelding 1: Een berglandschap met wandelpaden. Afbeelding 2: Een meer met een strand en bootjes.

Vraag: Waar gaat u liever naartoe op vakantie, bergen of een meer? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik kies de bergen voor wandelen en uitzicht.
  • Ik kies het meer om te zwemmen en te varen.
  • Het hangt af van het seizoen en met wie ik ga.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!

Nederlands Spreekvaardigheid A2 #30

12 vragen | 2 delen | Oefenexamen door WordNet Taaltrainingen


Deel 1: Persoonlijke Vragen (1-6)

1. Hoe ziet uw ochtendroutine eruit op werkdagen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ik sta vroeg op, ontbijt en ga naar mijn werk.
  • Ik maak de kinderen klaar en breng ze naar school.
  • Ik neem een douche, drink koffie en vertrek.

2. Heeft u huisdieren? Hoe zorgt u voor hen?

Voorbeeldantwoorden:

  • Ja, ik heb een hond. Ik laat hem elke dag uit en geef eten.
  • Ik heb een kat. Ik geef eten en maak de kattenbak schoon.
  • Nee, ik heb geen huisdieren, maar ik pas soms op voor vrienden.

3. Wat is uw favoriete plek in uw stad of dorp en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Het park, omdat ik daar kan wandelen.
  • De bibliotheek, omdat ik van lezen houd.
  • Het centrum, omdat daar veel te doen is.

4. Welke apps gebruikt u het meest op uw telefoon?

Voorbeeldantwoorden:

  • Berichten en kaart-apps voor communicatie en routes.
  • Een sport-app om mijn stappen te tellen.
  • Nieuws-apps om het nieuws te volgen.

5. Welke tip heeft u voor iemand die Nederlands wil leren?

Voorbeeldantwoorden:

  • Oefen elke dag een beetje en praat veel.
  • Kijk Nederlandse tv met ondertiteling.
  • Lees kinderboeken en herhaal nieuwe woorden.

6. Welke leraar of docent herinnert u zich goed en waarom?

Voorbeeldantwoorden:

  • Mijn docent Nederlands, omdat hij geduldig was.
  • Mijn wiskundeleraar, omdat zij goed kon uitleggen.
  • Een sportleraar die mij gemotiveerd heeft.

Deel 2: Vragen met Afbeeldingen (7-12)

7. Fiets met kapotte ketting

Een persoon staat naast een fiets met een ketting die van het tandwiel is gevallen.

Vraag: Wat is het probleem en wat kan de persoon het beste doen?

Voorbeeldantwoorden:

  • De ketting is eraf. De persoon kan de ketting er weer op leggen.
  • De fiets werkt niet goed. Hij of zij kan een fietsenmaker zoeken.
  • De ketting is vies en los. Eerst handen schoonmaken en dan repareren of hulp vragen.

8. Studeren: laptop of boek

Afbeelding 1: Iemand typt op een laptop en maakt aantekeningen. Afbeelding 2: Iemand leest een dik studieboek met markeerstift.

Vraag: Hoe leert u het liefst, digitaal met laptop of met een boek? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Met een laptop, want ik kan snel zoeken en typen.
  • Met een boek, want ik onthoud beter als ik op papier lees.
  • Ik gebruik beide: laptop voor zoeken en boeken voor lezen.

9. Kapper

Afbeelding 1: De kapper knipt haar. Afbeelding 2: De kapper föhnt. Afbeelding 3: De kapper maakt schoon.

Vraag: Wat doet een kapper allemaal tijdens het werk? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Knippen, föhnen en schoonmaken.
  • De kapper verzorgt het haar en houdt de salon netjes.
  • Eerst knippen, daarna föhnen en opruimen.

10. Boodschappen: supermarkt of markt

Afbeelding 1: Drukke supermarkt met volle schappen. Afbeelding 2: Markt met kraampjes en verse producten.

Vraag: Waar doet u het liefst boodschappen, in de supermarkt of op de markt? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • In de supermarkt, want alles is bij elkaar.
  • Op de markt, want de producten zijn vers en de sfeer is leuk.
  • Supermarkt voor basis, markt voor vers.

11. Muziekfestival

Afbeelding 1: Een band speelt op een podium. Afbeelding 2: Een zanger zingt. Afbeelding 3: Mensen dansen in het publiek.

Vraag: Wat doen mensen allemaal bij een muziekfestival? Gebruik alle plaatjes.

Voorbeeldantwoorden:

  • Muziek spelen, zingen en dansen.
  • Artiesten treden op en mensen dansen mee.
  • Er is live muziek en het publiek geniet en danst.

12. Vakantie: camping of appartement

Afbeelding 1: Een tent op een camping in de natuur. Afbeelding 2: Een appartement met balkon in een kustplaats.

Vraag: Welke vakantie kiest u liever, kamperen of een appartement? Vertel ook waarom.

Voorbeeldantwoorden:

  • Kamperen voor natuur en vrijheid.
  • Appartement voor comfort en gemak.
  • Beide, afhankelijk van het weer en het budget.

Dit was een voorbeeldexamen spreekvaardigheid A2. Succes bij het echte examen!